Posts tonen met het label verantwoordelijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verantwoordelijkheid. Alle posts tonen

woensdag 31 juli 2019

Wat is de betekenis van de uitdrukking brahma-nirvanam rcchati in vers 72 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?

brahma-nirvāṇam — het spirituele koninkrijk van God; ṛcchati — men bereikt

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 72:
eṣā brāhmī sthitiḥ pārtha, naināṁ prāpya vimuhyati
sthitvāsyām anta-kāle ’pi, brahma-nirvāṇam ṛcchati

Woord-voor-woord-vertalingen:
eṣā — deze; brāhmī — spirituele; sthitiḥ — situatie; pārtha — o zoon van Pṛthā; na — nooit; enām — dit; prāpya — bereikend; vimuhyati — iemand is verward; sthitvā — vaststaand; asyām — in dit; anta-kāle — aan het eind van het leven; api — ook; brahma-nirvāṇam — het spirituele koninkrijk van God; ṛcchati — men bereikt.

Vertaling:
Dat is de spirituele en goddelijke levenswijze, en wie deze heeft bereikt, zal niet meer verward zijn. Wanneer iemand zich zelfs op het moment van de dood in die toestand bevindt, kan hij binnengaan in het koninkrijk van God.

Uitleg:
Men kan onmiddellijk, binnen een seconde, Kṛṣṇa-bewust worden of goddelijk leven, of men kan zelfs na miljoenen levens niet in staat zijn dit te bereiken. Het is een kwestie van de waarheid begrijpen en deze aanvaarden. Khaṭvāṅga Mahārāja bereikte deze toestand enkele minuten vóór zijn dood door zich over te geven an Kṛṣṇa.

Nirvāṇa betekent een einde maken aan het materiële leven. Volgens de boeddhistische filosofie is er na het beëindigen van dit materiële leven enkel de leegte, maar de Bhagavad-gītā leert iets anders. Het echte leven begint na het beëindigen van dit materiële bestaan. Voor een uitgesproken materialist is het voldoende om te weten dat men de materialistische levenswijze moet beëindigen, maar voor personen die spiritueel gevorderd zijn, is er na dit materiële bestaan een ander bestaan. Als iemand het geluk heeft om voor het beëindigen van dit leven Kṛṣṇa-bewust te worden, dan bereikt hij onmiddellijk het niveau van brahma-nirvāṇa.

Er bestaat geen verschil tussen het koninkrijk van God en devotionele dienst aan de Heer. Omdat ze zich allebei op het absolute vlak bevinden, is het zo dat, als men bezig is met transcendentale liefdedienst aan de Heer, men het spirituele koninkrijk bereikt heeft. In de materiële wereld zijn er activiteiten voor zinsbevrediging, maar in de spirituele wereld zijn er Kṛṣṇa-bewuste activiteiten. Met het verwerven van Kṛṣṇa-bewustzijn heeft men, zelfs tijdens dit leven, onmiddellijk het Brahman verworven en iemand die verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn is zeker al het koninkrijk van God binnengegaan. Brahman is precies het tegenovergestelde van materie. Brāhmī sthiti betekent daarom: ‘niet op het niveau van materiële activiteiten.’ Devotionele dienst aan de Heer wordt in de Bhagavad-gītā beschouwd als het niveau van bevrijding (sa guṇān samatītyaitān brahma-bhūyāya kalpate). Brāhmī sthiti is daarom bevrijding van materiële gebondenheid.

Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura heeft dit tweede hoofdstuk beschreven als de samenvatting van de hele Bhagavad-gītā. De onderwerpen die de Bhagavad-gītā behandelt, zijn karma-yoga, jñāna-yoga en bhakti-yoga. In het tweede hoofdstuk zijn karma- en jñāna-yoga uitvoerig besproken en ook is er een glimp van bhakti-yoga gegeven als de inhoud van de hele tekst.

Zo eindigen de commentaren van Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda bij het tweede hoofdstuk van Śrīmad Bhagavad-gītā, getiteld ‘Samenvatting van de Gītā’.

Wanneer kan een goedgeklede dwaas worden geïdentificeerd?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 54:
arjuna uvāca
sthita-prajñasya kā bhāṣā, samādhi-sthasya keśava
sthita-dhīḥ kiṁ prabhāṣeta, kim āsīta vrajeta kim

Woord-voor-woord-vertalingen:
arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; sthita-prajñasya — van iemand die onwankelbaar is in standvastig Kṛṣṇa-bewustzijn; kā — wat; bhāṣā — taal; samādhi-sthasya — van iemand in een toestand van diepe meditatie (samādhi); keśava — o Kṛṣṇa; sthita-dhīḥ — iemand die verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn; kim — wat; prabhāṣeta — spreekt; kim — hoe; āsīta — stil blijven zitten; vrajeta — loopt; kim — hoe.

Vertaling:
Arjuna zei: O Kṛṣṇa, wat zijn de kenmerken van iemand van wie het bewustzijn op die manier van het transcendentale vervuld is? Hoe spreekt hij en wat is zijn taalgebruik? Hoe zit hij en hoe loopt hij?

Uitleg:
Net zoals er voor ieder mens kenmerken zijn in overeenstemming met de bepaalde situatie waarin hij zich bevindt, zo heeft ook een Kṛṣṇa-bewust persoon zijn bepaalde manier van spreken, lopen, denken, voelen enz. Zoals een rijke bepaalde kenmerken bezit waardoor hij als een rijk man bekendstaat, zoals een zieke bepaalde symptomen heeft waaruit blijkt dat hij ziek is of zoals een geleerde zo zijn kenmerken heeft, zo vertoont ook iemand in transcendentaal Kṛṣṇa-bewustzijn zijn specifieke gedragskenmerken. Deze specifieke kenmerken kan men in de Bhagavad-gītā vinden. Het belangrijkste is hoe een Kṛṣṇa-bewust persoon spreekt, want spraak is iemands belangrijkste eigenschap. Er wordt gezegd dat een dwaas onherkenbaar blijft zolang hij niet spreekt en het is zeker zo dat een goedgeklede dwaas niet herkend wordt zolang hij zwijgt, maar zodra hij begint te spreken, laat hij zich meteen kennen. Het directe kenmerk van een Kṛṣṇa-bewust persoon is dat hij alleen over Kṛṣṇa praat en over dingen die met Hem in verband staan.

Wat is de betekenis van het woord prajna in vers 54 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


prajña — Kṛṣṇa-bewustzijn welke het hoogste en puurste wetenschap is;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 54:
arjuna uvāca
sthita-prajñasya kā bhāṣā, samādhi-sthasya keśava
sthita-dhīḥ kiṁ prabhāṣeta, kim āsīta vrajeta kim

Woord-voor-woord-vertalingen:
arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; sthita-prajñasya — van iemand die onwankelbaar is in standvastig Kṛṣṇa-bewustzijn; kā — wat; bhāṣā — taal; samādhi-sthasya — van iemand in een toestand van diepe meditatie (samādhi); keśava — o Kṛṣṇa; sthita-dhīḥ — iemand die verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn; kim — wat; prabhāṣeta — spreekt; kim — hoe; āsīta — stil blijven zitten; vrajeta — loopt; kim — hoe.

Vertaling:
Arjuna zei: O Kṛṣṇa, wat zijn de kenmerken van iemand van wie het bewustzijn op die manier van het transcendentale vervuld is? Hoe spreekt hij en wat is zijn taalgebruik? Hoe zit hij en hoe loopt hij?

Uitleg:
Net zoals er voor ieder mens kenmerken zijn in overeenstemming met de bepaalde situatie waarin hij zich bevindt, zo heeft ook een Kṛṣṇa-bewust persoon zijn bepaalde manier van spreken, lopen, denken, voelen enz. Zoals een rijke bepaalde kenmerken bezit waardoor hij als een rijk man bekendstaat, zoals een zieke bepaalde symptomen heeft waaruit blijkt dat hij ziek is of zoals een geleerde zo zijn kenmerken heeft, zo vertoont ook iemand in transcendentaal Kṛṣṇa-bewustzijn zijn specifieke gedragskenmerken. Deze specifieke kenmerken kan men in de Bhagavad-gītā vinden. Het belangrijkste is hoe een Kṛṣṇa-bewust persoon spreekt, want spraak is iemands belangrijkste eigenschap. Er wordt gezegd dat een dwaas onherkenbaar blijft zolang hij niet spreekt en het is zeker zo dat een goedgeklede dwaas niet herkend wordt zolang hij zwijgt, maar zodra hij begint te spreken, laat hij zich meteen kennen. Het directe kenmerk van een Kṛṣṇa-bewust persoon is dat hij alleen over Kṛṣṇa praat en over dingen die met Hem in verband staan. Andere kenmerken volgen dan vanzelf, wat hieronder duidelijk zal worden.

Hoe kan het doel van de Vedische cultuur het beste worden gediend


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 46:
yāvān artha udapāne, sarvataḥ samplutodake
 tāvān sarveṣu vedeṣu, brāhmaṇasya vijānataḥ

Woord-voor-woord-vertalingen:
yāvān — alles wat; arthaḥ — is bedoeld; uda-pāne — in een waterbron; sarvataḥ — in alle opzichten; sampluta-udake — in een groot waterreservoir; tāvān — op dezelfde manier; sarveṣu — in alle; vedeṣu — Vedische literatuur; brāhmaṇasya — van degene die het Allerhoogste Brahman kent; vijānataḥ — die volledige kennis bezit.

Vertaling:
Alle doeleinden die door een kleine waterbron worden gediend, kunnen in één keer worden gediend door een groot waterreservoir. Op dezelfde manier kan elk resultaat van het volgen van de Veda’s verkregen worden door iemand die hun werkelijke bedoeling kent.

Uitleg:
De rituelen en offers die in het karma-kāṇḍa-gedeelte van de Vedische literatuur worden vermeld, zijn bedoeld als aanmoediging tot een geleidelijke ontwikkeling naar zelfrealisatie. En het doel van zelfrealisatie blijkt duidelijk uit het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (15.15): het doel van het bestuderen van de Veda’s is het begrijpen van Heer Kṛṣṇa, de oorspronkelijke oorzaak van alles. Zelfrealisatie betekent dus het begrijpen van Kṛṣṇa en onze eeuwige relatie met Hem. Ook de relatie tussen de levende wezens en Kṛṣṇa wordt in het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (15.7) genoemd. De levende wezens zijn integrerende deeltjes van Kṛṣṇa; daarom is het opwekken van Kṛṣṇa-bewustzijn door het individuele levend wezen het hoogste niveau van Vedische kennis. Dit wordt als volgt bevestigd in het Śrīmad-Bhāgavatam (3.33.7):

aho bata śva-paco ’to garīyān, yaj-jihvāgre vartate nāma tubhyam
tepus tapas te juhuvuḥ sasnur āryā, brahmānūcur nāma gṛṇanti ye te

‘O mijn Heer, iemand die Uw heilige naam chant, bevindt zich op het hoogste niveau van zelfrealisatie, ook al is hij geboren in een lage familie van bijvoorbeeld een caṇḍāla [hondeneter]. Zo’n persoon moet wel alle vormen van ascese en offers in overeenstemming met de Vedische rituelen hebben verricht, de Vedische literatuur vele, vele malen hebben bestudeerd en zijn bad hebben genomen in alle heilige pelgrimsoorden. Zo’n persoon wordt beschouwd als de voornaamste van de familie van de Ārya’s.’

Men moet dus intelligent genoeg zijn om het doel van de Veda’s te begrijpen, zonder aan de rituelen alleen gehecht te zijn, en men moet er niet naar verlangen bevorderd te worden naar de hemelse koninkrijken voor een hogere standaard van zinsbevrediging. Voor de gemiddelde mens in dit tijdperk is het niet mogelijk om alle regels en bepalingen van de Vedische rituelen te volgen en evenmin is het mogelijk om de hele Vedānta en alle upaniṣads grondig te bestuderen. Het kost veel tijd, energie, kennis en financiële middelen om de rituelen van de Veda’s uit te voeren. Zoiets is in dit tijdperk nauwelijks mogelijk.

Het hoogste doel van de Vedische cultuur kan echter worden bereikt door het chanten van de heilige naam van de Heer, zoals ons door Heer Caitanya, de verlosser van de gevallen zielen, wordt aangeraden. Toen Heer Caitanya door de grote Vedisch geleerde Prakāśānanda Sarasvatī werd gevraagd waarom Hij, de Heer, in plaats van de vedānta-filosofie te bestuderen, als een sentimentalist de heilige naam van de Heer aan het chanten was, antwoordde de Heer dat Zijn spiritueel leraar Hem een grote dwaas vond en Hem daarom gevraagd had de heilige naam van Heer Kṛṣṇa te chanten. Hij deed dit en raakte in extase als een bezetene.

In dit Tijdperk van Kali is het overgrote deel van de bevolking dwaas en onvoldoende opgeleid om de vedānta-filosofie te begrijpen; het hoogste doel van de vedānta-filosofie kan worden gediend door zonder overtredingen de heilige naam van de Heer te chanten. De Vedānta is de eindconclusie van de Vedische wijsheid en de auteur en de kenner van de vedānta-filosofie is Heer Kṛṣṇa, en de meest gevorderde vedāntist is de grote ziel die plezier heeft in het chanten van de heilige naam van de Heer. Dat is het uiteindelijke doel van alle Vedische mystiek.

Wat is de betekenis van de uitdrukking pratyavayah na vidyate in vers 40 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


pratyavāyaḥ — vermindering; na — nooit; vidyate — er is;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 40:
nehābhikrama-nāśo ’sti, pratyavāyo na vidyate
sv-alpam apy asya dharmasya, trāyate mahato bhayāt

Woord-voor-woord-vertalingen:
na — er is niet; iha — in deze yoga; abhikrama — tijdens het streven; nāśaḥ — verlies; asti — er is; pratyavāyaḥ — vermindering; na — nooit; vidyate — er is; su-alpam — een klein beetje; api — hoewel; asya — van deze; dharmasya — bezigheid; trāyate — bevrijdt; mahataḥ — van heel groot; bhayāt — gevaar.

Vertaling:
Dit streven kent geen verlies noch vermindering en een kleine vooruitgang op dit pad kan iemand voor het grootste gevaar behoeden.

Uitleg:
Actief zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn of druk bezig zijn voor het plezier van Kṛṣṇa zonder er enige zinsbevrediging voor terug te verwachten, is activiteit van de hoogste transcendentale kwaliteit. Wie zelfs maar een klein begin maakt met zulke activiteit, zal geen belemmering tegenkomen en dat kleine begin kan nooit verloren gaan. Op het materiële vlak moeten alle activiteiten die eenmaal begonnen zijn, worden afgemaakt, anders lopen ze op niets uit. Maar in Kṛṣṇa-bewustzijn heeft elke activiteit waaraan men begint een blijvend effect, ook al is ze onvoltooid. Wie zulke activiteiten verricht, verliest dus niets, ook al is zijn activiteit in Kṛṣṇa-bewustzijn onvolledig. Als men één procent heeft gedaan in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan heeft dat een blijvend effect, zodat het volgende begin vanaf twee procent zal zijn, maar bij materiële activiteiten is er geen sprake van winst als ze niet voor honderd procent voltooid worden. Ajāmila had zijn plicht voor een bepaald percentage in Kṛṣṇa-bewustzijn volbracht, maar door de genade van de Heer was zijn eindresultaat honderd procent. In verband hiermee is er een mooi vers in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.5.17):

tyaktvā sva-dharmaṁ caraṇāmbujaṁ harer
bhajann apakvo ’tha patet tato yadi
yatra kva vābhadram abhūd amuṣya kiṁ
ko vārtha āpto ’bhajatāṁ sva-dharmataḥ

‘Als iemand zijn voorgeschreven activiteiten opgeeft en handelt in Kṛṣṇa-bewust-zijn, maar dan ten val komt doordat hij zijn werk niet voltooid heeft, wat heeft hij dan verloren? En wat wint men als men zijn materiële werkzaamheden perfect uitvoert?’ Of zoals de christenen zeggen: ‘Wat baat het de mens zo hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn eeuwige ziel?’

Materiële activiteiten en hun resultaten eindigen samen met het lichaam. Maar activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn brengen iemand opnieuw tot Kṛṣṇa-bewustzijn, zelfs na het verlies van het lichaam. In ieder geval is het zeker dat men een goede kans heeft om in een volgend leven als mens geboren te worden. Zo’n geboorte kan plaatsvinden in een familie van zeer beschaafde brāhmaṇa’s of in een rijke aristocratische familie en geeft iemand de kans om verder vooruitgang te maken. Dat is de unieke aard van activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn.

Wat is de betekenis van de uitdrukking svarga-dvaram apavrtam in vers 32 in hoofdstuk 2 van Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


svarga — van de hemelse planeten; dvāram — deur; apāvṛtam — wijd open;

TEXT 32
yadṛcchayā copapannaṁ, svarga-dvāram apāvṛtam
sukhinaḥ kṣatriyāḥ pārtha, labhante yuddham īdṛśam

Woord-voor-woord-vertalingen:
yadṛcchayā — vanzelf; ca — en; upapannam — aangekomen; svarga — van de hemelse planeten; dvāram — deur; apāvṛtam — wijd open; sukhinaḥ — heel gelukkig; kṣatriyāḥ — de leden van de koninklijke orde; pārtha — o zoon van Pṛthā; labhante — bereiken zeker; yuddham — oorlog; īdṛśam — zoals deze.

Vertaling:
O Pārtha, fortuinlijk zijn de kṣatriya’s aan wie zich zulke gelegenheden om te strijden voordoen zonder dat ze daarnaar op zoek waren, want de deuren van de hemelse planeten gaan zo voor hen open.

Uitleg:
Als de allerhoogste leraar van de wereld verwerpt Kṛṣṇa het standpunt van Arjuna, die zei: ‘Ik zie geen enkel heil in dit gevecht. Het zal alleen een eeuwig verblijf in de hel opleveren.’ Zulke beweringen van Arjuna waren alleen te wijten aan onwetendheid. Tijdens het vervullen van zijn specifieke plicht wilde hij geweldloos worden. Dat een kṣatriya op het slagveld geweldloos wordt, is een filosofie van dwazen. In de Parāśara-smṛti, de religieuze voorschriften opgesteld door de grote wijze Parāśara, de vader van Vyāsadeva, wordt gezegd:
kṣatriyo hi prajā rakṣan, śastra-pāṇiḥ pradaṇḍayan
nirjitya para-sainyādi, kṣitiṁ dharmeṇa pālayet
‘De kṣatriya heeft de plicht de burgers te beschermen tegen allerlei moeilijkheden en om die reden moet hij in de juiste gevallen geweld toepassen om de orde te handhaven. Hij moet daarom de soldaten van vijandige koningen verslaan en dan volgens religieuze principes over de wereld regeren.’ Alles welbeschouwd had Arjuna geen reden om zich uit de strijd terug te trekken. Als hij zijn vijanden zou verslaan, zou hij van het koninkrijk kunnen genieten en mocht hij sneuvelen in de strijd, dan zou hij verheven worden naar de hemelse planeten, waar de deuren wijd voor hem openstonden. In beide gevallen was het in zijn voordeel de strijd aan te gaan.

woensdag 26 juni 2019

Wat is de betekenis van het woord ksatriya in vers 31 in hoofdstuk 2 van de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, TEXT 31:
sva-dharmam api cāvekṣya, na vikampitum arhasi
dharmyād dhi yuddhāc chreyo ’nyat, kṣatriyasya na vidyate

Woord-voor-woord-vertalingen:
sva-dharmam — iemands voorgeschreven religieuze principes; api — ook; ca — zeker; avekṣya — rekening houdend met; na — nooit; vikampitum — aarzelen; arhasi — je moet; dharmyāt — voor religieuze principes; hi — zeker; yuddhāt — dan te strijden; śreyaḥ — betere bezigheid; anyat — alle andere; kṣatriyasya — van de kṣatriya; na — niet; vidyate — bestaat.

Vertaling:
Omdat je voorgeschreven plicht die van een kṣatriya is, zou je ervan doordrongen moeten zijn dat er voor jou geen betere bezigheid is dan te strijden volgens religieuze principes; er is dus geen reden tot aarzelen.

Uitleg:
Van de vier klassen binnen het sociale bestel wordt de tweede klasse, die voor een goed bestuur moet zorgen, kṣatriya genoemd. Kṣat betekent ‘verwonden’. Wie bescherming tegen kwaad biedt, wordt een kṣatriya genoemd (trāyate — bescherming geven). De kṣatriya’s worden in het bos getraind om te doden. Vroeger ging een kṣatriya het woud in om met het zwaard een tweegevecht aan te gaan met een tijger. Was de tijger eenmaal gedood, dan kreeg deze de koninklijke eer gecremeerd te worden. Dit is tot op de dag van vandaag nog steeds een gebruik van de kṣatriya-koningen van de staat Jaipur. Kṣatriya’s worden speciaal getraind in uitdagen en doden, omdat geweld soms noodzakelijk is voor een religieuze zaak. Het is daarom dan ook niet de bedoeling dat kṣatriya’s rechtstreeks de levensorde van sannyāsa of van onthechting aanvaarden. In de politiek kan geweldloosheid een diplomatieke tactiek zijn, maar het is nooit een grondbeginsel. In de religieuze wetboeken wordt gesteld:
āhaveṣu mitho ’nyonyaṁ, jighāṁsanto mahī-kṣitaḥ
yuddhamānāḥ paraṁ śaktyā, svargaṁ yānty aparāṅ-mukhāḥ
yajñeṣu paśavo brahman, hanyante satataṁ dvijaiḥ
saṁskṛtāḥ kila mantraiś ca, te ’pi svargam avāpnuvan
‘Wanneer een koning of kṣatriya op het slagveld strijd levert met een vijandige koning, dan is hij gekwalificeerd om na zijn dood de hemelse planeten te bereiken, zoals ook de brāhmaṇa’s de hemelse planeten bereiken door dieren te offeren in het offervuur.’ Vandaar dat het doden van vijanden op het slagveld op basis van religieuze principes en het doden van dieren in het heilige offervuur beslist niet als daden van geweld worden beschouwd, omdat iedereen baat heeft bij de religieuze principes die ermee verbonden zijn. Het offerdier krijgt onmiddellijk een menselijke levensvorm zonder dat het via een geleidelijk evolutionair proces van de ene levensvorm naar de andere hoeft te gaan, en de kṣatriya’s die op het slagveld worden gedood, bereiken de hemelse planeten, net als de brāhmaṇa’s die offers verrichten.
Er bestaan twee soorten sva-dharma’s of specifieke plichten. Zolang men nog niet bevrijd is, moet men, in overeenstemming met de religieuze principes, de plichten vervullen die bij zijn bepaalde lichaam horen om bevrijding te bereiken. Is men eenmaal bevrijd, dan is het sva-dharma, de specifieke plicht, spiritueel en niet meer onderhevig aan een materiële en lichamelijke levensopvatting. Binnen een lichamelijke levensopvatting zijn er verschillende plichten voor de brāhmaṇa’s en de kṣatriya’s en zulke plichten zijn onvermijdelijk. Ieders sva-dharma wordt door de Heer voorgeschreven; dit zal in het vierde hoofdstuk worden verduidelijkt. Op het lichamelijk niveau wordt sva-dharma aangeduid met varṇāśrama-dharma of de springplank voor de mens om tot spirituele bewustwording te komen. Van menselijke samenleving is sprake vanaf het niveau van varṇāśrama-dharma of de specifieke plichten overeenkomstig de specifieke hoedanigheden van de natuur die bij het lichaam horen dat men gekregen heeft. Wie binnen welk type activiteiten dan ook zijn specifieke plicht vervult in overeenstemming met de instructies van hogere autoriteiten, zal daardoor tot een hoger bestaansniveau worden verheven.

Waarom wordt het doden van dieren tijdens een offer niet beschouwd als een daad van geweld?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, vers 31:
sva-dharmam api cāvekṣya, na vikampitum arhasi
dharmyād dhi yuddhāc chreyo ’nyat, kṣatriyasya na vidyate

Woord-voor-woord-vertalingen:
sva-dharmam — iemands voorgeschreven religieuze principes; api — ook; ca — zeker; avekṣya — rekening houdend met; na — nooit; vikampitum — aarzelen; arhasi — je moet; dharmyāt — voor religieuze principes; hi — zeker; yuddhāt — dan te strijden; śreyaḥ — betere bezigheid; anyat — alle andere; kṣatriyasya — van de kṣatriya; na — niet; vidyate — bestaat.

Vertaling:
Omdat je voorgeschreven plicht die van een kṣatriya is, zou je ervan doordrongen moeten zijn dat er voor jou geen betere bezigheid is dan te strijden volgens religieuze principes; er is dus geen reden tot aarzelen.

Uitleg:
Van de vier klassen binnen het sociale bestel wordt de tweede klasse, die voor een goed bestuur moet zorgen, kṣatriya genoemd. Kṣat betekent ‘verwonden’. Wie bescherming tegen kwaad biedt, wordt een kṣatriya genoemd (trāyate — bescherming geven). De kṣatriya’s worden in het bos getraind om te doden. Vroeger ging een kṣatriya het woud in om met het zwaard een tweegevecht aan te gaan met een tijger. Was de tijger eenmaal gedood, dan kreeg deze de koninklijke eer gecremeerd te worden. Dit is tot op de dag van vandaag nog steeds een gebruik van de kṣatriya-koningen van de staat Jaipur. Kṣatriya’s worden speciaal getraind in uitdagen en doden, omdat geweld soms noodzakelijk is voor een religieuze zaak. Het is daarom dan ook niet de bedoeling dat kṣatriya’s rechtstreeks de levensorde van sannyāsa of van onthechting aanvaarden. In de politiek kan geweldloosheid een diplomatieke tactiek zijn, maar het is nooit een grondbeginsel. In de religieuze wetboeken wordt gesteld:
āhaveṣu mitho ’nyonyaṁ, jighāṁsanto mahī-kṣitaḥ
yuddhamānāḥ paraṁ śaktyā, svargaṁ yānty aparāṅ-mukhāḥ
yajñeṣu paśavo brahman, hanyante satataṁ dvijaiḥ
saṁskṛtāḥ kila mantraiś ca, te ’pi svargam avāpnuvan
‘Wanneer een koning of kṣatriya op het slagveld strijd levert met een vijandige koning, dan is hij gekwalificeerd om na zijn dood de hemelse planeten te bereiken, zoals ook de brāhmaṇa’s de hemelse planeten bereiken door dieren te offeren in het offervuur.’ Vandaar dat het doden van vijanden op het slagveld op basis van religieuze principes en het doden van dieren in het heilige offervuur beslist niet als daden van geweld worden beschouwd, omdat iedereen baat heeft bij de religieuze principes die ermee verbonden zijn. Het offerdier krijgt onmiddellijk een menselijke levensvorm zonder dat het via een geleidelijk evolutionair proces van de ene levensvorm naar de andere hoeft te gaan, en de kṣatriya’s die op het slagveld worden gedood, bereiken de hemelse planeten, net als de brāhmaṇa’s die offers verrichten.
Er bestaan twee soorten sva-dharma’s of specifieke plichten. Zolang men nog niet bevrijd is, moet men, in overeenstemming met de religieuze principes, de plichten vervullen die bij zijn bepaalde lichaam horen om bevrijding te bereiken. Is men eenmaal bevrijd, dan is het sva-dharma, de specifieke plicht, spiritueel en niet meer onderhevig aan een materiële en lichamelijke levensopvatting. Binnen een lichamelijke levensopvatting zijn er verschillende plichten voor de brāhmaṇa’s en de kṣatriya’s en zulke plichten zijn onvermijdelijk. Ieders sva-dharma wordt door de Heer voorgeschreven; dit zal in het vierde hoofdstuk worden verduidelijkt. Op het lichamelijk niveau wordt sva-dharma aangeduid met varṇāśrama-dharma of de springplank voor de mens om tot spirituele bewustwording te komen. Van menselijke samenleving is sprake vanaf het niveau van varṇāśrama-dharma of de specifieke plichten overeenkomstig de specifieke hoedanigheden van de natuur die bij het lichaam horen dat men gekregen heeft. Wie binnen welk type activiteiten dan ook zijn specifieke plicht vervult in overeenstemming met de instructies van hogere autoriteiten, zal daardoor tot een hoger bestaansniveau worden verheven.

Wat zijn de zes soorten transformaties waaraan het lichaam onderworpen is?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, TEXT 20:
na jāyate mriyate vā kadācin
nāyaṁ bhūtvā bhavitā vā na bhūyaḥ
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo
na hanyate hanyamāne śarīre

Woord-voor-woord-vertalingen:
na — nooit; jāyate — wordt geboren; mriyate — sterft; vā — evenmin; kadācit — wanneer dan ook (verleden, heden of toekomst); na — nooit; ayam — deze; bhūtvā — na ontstaan te zijn; bhavitā — zal onstaan; vā — of; na — niet; bhūyaḥ — of ontstaat opnieuw; ajaḥ — ongeboren; nityaḥ — eeuwig; śāśvataḥ — permanent; ayam — deze; purāṇaḥ — de oudste; na — nooit; hanyate — wordt gedood; hanyamāne — is gedood; śarīre — het lichaam.

Vertaling:
Voor de ziel bestaat er op geen enkel tijdstip geboorte of dood. Ze is niet ontstaan, ze ontstaat niet en ze zal niet ontstaan. Ze is ongeboren, eeuwig, oorspronkelijk en permanent. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood.

Uitleg:
Kwalitatief gezien is het afzonderlijke en atomisch kleine deeltje van de Allerhoogste Ziel īīn met de Allerhoogste. Het ondergaat geen veranderingen zoals het lichaam. De ziel wordt soms de bestendige of kūṭa-stha genoemd. Het lichaam is onderhevig aan zes verschillende transformaties: het wordt geboren uit de baarmoeder van het moederlichaam, groeit, blijft enige tijd, produceert enkele bijverschijnselen, verzwakt geleidelijk aan en verdwijnt uiteindelijk in de vergetelheid. De ziel daarentegen is niet onderhevig aan zulke veranderingen. De ziel wordt niet geboren, maar omdat ze een materieel lichaam aanneemt, wordt het lichaam geboren. De ziel wordt niet in een lichaam geboren en sterft ook niet. Alles wat geboren wordt, sterft ook. Maar omdat de ziel niet geboren wordt, heeft ze geen verleden, heden of toekomst. Ze is eeuwig, oorspronkelijk en bestaat altijd; met andere woorden, er is in de geschiedenis geen spoor van haar ontstaan te bekennen. Alleen omdat we zien dat het lichaam geboren wordt, zoeken we naar het tijdstip van de geboorte enz. van de ziel.
In tegenstelling tot het lichaam, wordt de ziel op geen enkel moment oud. Een man die zogenaamd oud is, voelt zich van binnen dezelfde als in zijn kinderjaren of toen hij een jongeman was. De veranderingen van het lichaam hebben geen invloed op de ziel. De ziel vergaat niet als een boom of iets anders materieels. De ziel heeft ook geen bijproducten. De bijproducten van het lichaam, namelijk kinderen, zijn ook verschillende individuele zielen en vanwege het lichaam verschijnen ze als de kinderen van een bepaald persoon. Het lichaam ontwikkelt zich omdat de ziel erin aanwezig is, maar de ziel heeft geen nakomelingen en ondergaat geen verandering; de ziel is daarom vrij van de zes veranderingen van het lichaam.
In de Kaṭha Upaniṣad (1.2.18) vinden we een soortgelijke passage:
na jāyate mriyate vā vipaścin, nāyaṁ kutaścin na babhūva kaścit
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo, na hanyate hanyamāne śarīre
De betekenis en uitleg van dit vers is dezelfde als die in de Bhagavad-gītā, maar in dit vers wordt een specifiek woord gebruikt, namelijk ‘vipaścit’, dat ‘geleerd’ of ‘met kennis’ betekent. De ziel is vol kennis of altijd vol bewustzijn. Het bewustzijn is dan ook hīt kenmerk van de ziel. Zelfs al is men niet in staat om de ziel in het hart te vinden — waar ze zich bevindt — dan nog kan men de aanwezigheid van de ziel eenvoudig begrijpen door de aanwezigheid van bewustzijn. Soms kunnen we de zon niet zien omdat het bewolkt is of om een andere reden, maar het zonlicht is altijd aanwezig en daarom zijn we ervan overtuigd dat het dag is. Zodra er in de vroege morgen een sprankje licht aan de horizon verschijnt, kunnen we begrijpen dat de zon er is. Op dezelfde manier kunnen we de aanwezigheid van de ziel begrijpen, doordat er in alle lichamen — zowel menselijke als dierlijke — een zekere mate van bewustzijn aanwezig is. Maar dit bewustzijn van de ziel is verschillend van dat van de Allerhoogste, omdat het allerhoogste bewustzijn alle kennis omvat — van verleden, heden en toekomst. Het is de individuele ziel die geneigd is tot vergeetachtigheid en wanneer ze haar werkelijke natuur vergeet, krijgt ze onderricht en verlichting door de verheven lessen van Kṛṣṇa. Maar Kṛṣṇa is niet zoals de vergeetachtige ziel; zou dat wel zo zijn, dan zou de filosofie van Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā nutteloos zijn.
Er bestaan twee soorten zielen, namelijk de minuscule ziel, die een deeltje is (aṇu-ātmā), en de Superziel (vibhu-ātmā). Dit wordt bevestigd in de Kaṭha Upaniṣad (1.2.20):
aṇor aṇīyān mahato mahīyān, ātmāsya jantor nihito guhāyām
tam akratuḥ paśyati vīta-śoko, dhātuḥ prasādān mahimānam ātmanaḥ
‘Zowel de Superziel [Paramātmā] als de atomische ziel [jīvātmā] bevindt zich in dezelfde boom van het lichaam, in hetzelfde hart van het levend wezen; alleen degene die vrij is geraakt van alle materiële verlangens en verdriet, kan door de genade van de Allerhoogste de glorie van de ziel begrijpen.’ Kṛṣṇa is ook de oorsprong van de Superziel (dit zal in de volgende hoofdstukken worden uitgelegd) en Arjuna is de atomische ziel die zijn werkelijke natuur vergeten is; daarom moet hij door Kṛṣṇa of door Zijn bonafide vertegenwoordiger (de spiritueel leraar) worden verlicht.

Wat is de betekenis van de uitdrukking dharma-sammudha-cetah in vers 7 in hoofdstuk 2 van de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


verbijsterd in het hart van wat je plicht zou moeten zijn

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, TEXT 7:
kārpaṇya-doṣopahata-svabhāvaḥ
pṛcchāmi tvāṁ dharma-sammūḍha-cetāḥ
yac chreyaḥ syān niścitaṁ brūhi tan me
śiṣyas te ’haṁ śādhi māṁ tvāṁ prapannam

Woord-voor-woord-vertalingen:
kārpaṇya — van vrekkigheid; doṣa — door de zwakheid; upahata — gekweld worden; sva-bhāvaḥ — kenmerken; pṛcchāmi — ik vraag; tvām — aan Jou; dharma — religie; sammūḍha — verward; cetāḥ — in het hart; yat — wat; śreyaḥ — het beste; syāt — kan zijn; niścitam — vertrouwelijk; brūhi — vertel; tat — dat; me — aan mij; śiṣyaḥ — discipel; te — Jouw; aham — ik ben; śādhi — onderricht; mām — mij; tvām — aan Jou; prapannam — overgegeven.

Vertaling:
Ik weet niet meer wat mijn plicht is en ben door een vrekkige zwakheid mijn evenwicht kwijt. In deze toestand vraag ik Je me met zekerheid te vertellen wat het beste voor me is. Ik ben nu Je leerling en geef me volkomen aan Je over. Alsjeblieft, onderricht me.

Uitleg:
Het hele systeem van materiële activiteiten is voor iedereen een bron van verwarring; zo werkt de natuur. Bij elke stap raken we verward en daarom moeten we een bonafide spiritueel leraar benaderen die de juiste begeleiding kan geven om het doel van het leven te volbrengen. De hele Vedische literatuur raadt ons aan een bonafide spiritueel leraar te benaderen om vrij te raken van de complicaties van het leven, die ons overkomen zonder dat we dat willen. Het is als een bosbrand die om de een of andere reden woedt zonder door iemand aangestoken te zijn. Op dezelfde manier bevindt de wereld zich in een situatie waarin de problemen van het leven vanzelf verschijnen zonder dat we deze verwarring willen. Niemand wil brand, maar toch is het er en we staan perplex. De Vedische wijsheid raadt ons daarom aan dat, als we een oplossing willen voor de moeilijkheden van het leven en we de wetenschap van de oplossing willen begrijpen, we een bonafide spiritueel leraar moeten benaderen, die verbonden is met de opeenvolging van discipelen. Wie een spiritueel leraar heeft, wordt verondersteld alles te weten. Men moet daarom niet in deze materiële verbijstering blijven, maar men moet een spiritueel leraar benaderen. Dat is de betekenis van dit vers.
Wie is degene die omgeven wordt door materiële verwikkelingen? Het is degene die de problemen van het leven niet begrijpt. In de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (3.8.10) wordt een verward persoon als volgt beschreven: yo vā etad akṣaraṁ gārgy aviditvāsmāl̐ lokāt praiti sa kṛpaṇaḥ. ‘Degene die niet als een mens een oplossing zoekt voor de problemen van het leven en die zo net als katten en honden de wereld verlaat, zonder dat hij de wetenschap van zelfrealisatie begrepen heeft, is een vrekkig persoon.’ Deze menselijke levensvorm is een zeer waardevol bezit voor het levend wezen, dat hem kan gebruiken om de problemen van het leven mee op te lossen; wie deze mogelijkheid niet aangrijpt, is daarom een vrek. In tegenstelling tot de vrek is er ook de brāhmaṇa of degene die intelligent genoeg is dit lichaam te gebruiken om alle problemen op te lossen. Ya etad akṣaraṁ gārgi viditvāsmāl̐ lokāt praiti sa brāhmaṇaḥ.
De kṛpaṇa’s, de vrekkige personen, verspillen hun tijd in de lichamelijke levensopvatting door hun sterke vereenzelviging met familie, samenleving, land enz. Op basis van externe, lichamelijke aantrekking is men vaak gehecht aan het familieleven, dat wil zeggen: vrouw, kinderen en andere familieleden. De kṛpaṇa denkt dat hij in staat is om zijn familieleden tegen de dood te beschermen of hij denkt dat zijn familie of samenleving hem van de afgrond van de dood kan redden. Zulke gehechtheid aan familie is ook aanwezig in de lagere diersoorten, die ook voor hun kinderen zorgen. Intelligent als hij was, begreep Arjuna dat zijn genegenheid voor zijn familieleden en zijn verlangen om hen tegen de dood te beschermen de oorzaken waren van zijn verwarring. Hoewel hij begreep dat zijn plicht om te vechten op hem wachtte, kon hij, door zijn vrekkige zwakheid, toch zijn plichten niet vervullen. Daarom vraagt hij Heer Kṛṣṇa, de allerhoogste spiritueel leraar, om hem de uiteindelijke oplossing te geven. Hij geeft zich over aan Kṛṣṇa als een discipel. Hij wil geen vriendelijke gesprekken meer. De gesprekken tussen meester en discipel zijn ernstig en Arjuna wil nu zeer ernstig spreken met de persoon die hij als zijn spiritueel leraar erkent. Kṛṣṇa is daarom de oorspronkelijke spiritueel leraar van de wetenschap van de Bhagavad-gītā en Arjuna is de eerste discipel die de Gītā leert begrijpen.
De manier waarop Arjuna de Bhagavad-gītā leert begrijpen, wordt in de Gītā zelf beschreven. Toch zeggen dwaze, wereldse geleerden dat men zich niet aan de persoon Kṛṣṇa hoeft over te geven, maar aan ‘het ongeborene in Kṛṣṇa’. Er bestaat geen verschil tussen het in- en uitwendige van Kṛṣṇa; wie dit niet begrijpt, maar toch de Bhagavad-gītā probeert te begrijpen, is een grote dwaas.