Posts tonen met het label krishna. Alle posts tonen
Posts tonen met het label krishna. Alle posts tonen

donderdag 31 juli 2025

Notities - Krishna berispt Arjuna (2.11)


 

श्री भगवानुवाच

अशोच्यनन्वशोचस्त्वं प्रज्ञावादांश्च भाषसे ।

गतासूनगतासूंश्च नानुशोचन्ति पण्डिताः ॥ ११ ॥


śrī-bhagavān uvāca

aśocyān anvaśocas tvaṁ prajñā-vādāṁś ca bhāṣase

gatāsūn agatāsūṁś ca nānuśocanti paṇḍitāḥ


Vertaling

De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: Hoewel je geleerde woorden spreekt, treur je om iets wat het treuren niet waard is. Zij die wijs zijn, treuren noch om de levenden noch om de doden.


Betekenisverklaring

De Heer nam onmiddellijk de positie in van leraar en berispte Zijn leerling door hem indirect een dwaas te noemen. De Heer zei: ‘Je spreekt als een geleerd man, maar je weet niet dat een geleerd persoon — iemand die onderscheid weet te maken tussen het lichaam en de ziel — niet om het lichaam treurt, in welk stadium het zich ook bevindt en of het nu levend is of dood.’ In latere hoofdstukken zal worden uitgelegd dat kennis het kennen van zowel de materie als de ziel betekent en ook van de bestuurder van beide. Arjuna’s redenatie was dat religieuze principes belangrijker waren dan politieke of sociale overwegingen, maar hij wist niet dat kennis over de materie, de ziel en de Allerhoogste zelfs belangrijker is dan religieuze rituelen. Omdat hij deze kennis miste, had hij zich niet als een zeer geleerd man moeten voordoen. En omdat hij blijkbaar niet een zeer geleerd man was, treurde hij om iets wat het betreuren niet waard was. Het lichaam wordt geboren en is gedoemd om vroeg of laat ten onder te gaan; het lichaam is daarom niet net zo belangrijk als de ziel. Wie dit weet, is werkelijk geleerd en voor hem bestaat er geen reden tot treuren, ongeacht de toestand waarin het lichaam zich bevindt.

vrijdag 14 maart 2025

Notities - Arjuna gaat in discussie met Krishna en probeert zijn sterke hart te bewijzen (2.4)


 

अर्जुन उवाच
कथं भीष्ममहं संख्ये द्रोणं च मधुसूदन ।
इषुभिः प्रतियोत्स्यामि पूजार्हावरिसूदन ॥ ४ ॥

arjuna uvāca
kathaṁ bhīṣmam ahaṁ saṅkhye droṇaṁ ca madhusūdana
iṣubhiḥ pratiyotsyāmi pūjārhāv ari-sūdana


Synoniemen

arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; katham — hoe; bhīṣmam — Bhīṣma; aham — ik; saṅkhye — in de strijd; droṇam — Droṇa; ca — en; madhu-sūdana — o doder van Madhu; iṣubhiḥ — met pijlen; pratiyotsyāmi — zal in de tegenaanval gaan; pūjā-arhau — zij die vereerbaar zijn; ari-sūdana — o doder van de vijand.


Vertaling

Arjuna zei: O doder van de vijand, o doder van Madhu, hoe zou ik in de strijd de aanval kunnen beantwoorden door pijlen af te schieten op mannen als Bhīṣma en Droṇa, aan wie ik de hoogste eerbied verschuldigd ben?


Betekenisverklaring

Voorname meerderen als Grootvader Bhīṣma en Droṇācārya, de leraar, zijn altijd vererenswaardig. Zelfs al gaan ze over tot de aanval, dan moet hun aanval nooit beantwoord worden met een tegenaanval. Het is een kwestie van etiquette dat meerderen nooit mogen worden tegengesproken. Zelfs al is hun gedrag soms ruw, dan nog moeten ze niet ruw behandeld worden. Hoe zou Arjuna hun aanval dus kunnen beantwoorden? Zou Kṛṣṇa ooit Zijn eigen grootvader Ugrasena of Zijn leraar Sāndīpani Muni aanvallen? Dit waren enkele van de argumenten die Arjuna Kṛṣṇa voorlegde.

Bg 2.4

dinsdag 4 februari 2025

Samenvatting Hoofdstuk 1 - HET OBSERVEREN VAN DE LEGERS OP HET SLAGVELD VAN KURUKSHETRA

HOOFDSTUK 1 Arjuna Viṣāda-yōga

Dharma-kṣetre 1.1

Duryodhana's diplomatie 1.3-11

Tekenen van overwinning voor de Pāṇḍava's 1.14-20

Kṛṣṇa als Bhakta-vatsala 1.21-27

Arjuna's redenen om niet te vechten 1.28-46


Terwijl de vijandige legers klaarstaan ​​voor de strijd, ziet Arjuna, de machtige krijger, zijn intieme verwanten, leraren en vrienden in beide legers klaar om te vechten en hun levens op te offeren. Overmand door verdriet en medelijden, faalt Arjuna in kracht, zijn geest raakt verbijsterd en hij geeft zijn vastberadenheid om te vechten op.


INLEIDING: VOORBEREIDINGEN VOOR DE OORLOG (1–13)

Dhṛtarāṣṭra vraagt ​​Sañjaya naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in Kurukṣetra. Sañjaya beschrijft hoe Duryodhana, met behulp van diplomatie, het probleem oplost van het aanmoedigen van Droṇācārya zonder Bhīṣma en anderen te beledigen. Bhīṣma verzamelt zijn soldaten met het geluid van zijn schelphoorn. Toch duidt de symboliek van de schelphoorn op hun nederlaag.

1: Dhṛtarāṣṭra's vraag aan Sañjaya: Blinde Dhṛtarāṣṭra, die partijdig is voor zijn eigen zonen, vraagt ​​wat zijn zonen en de Pāṇḍava's deden op het slagveld.

2-11: Duryodhana's angst en diplomatie bij het beschrijven van de legers: Duryodhana gaat naar Droṇācārya en beschrijft de krijgers van het leger van de Pāṇḍavas en zijn eigen leger en vergelijkt ze.

12-19: Blazen van schelphoorns (tekenen van overwinning van de Pāṇḍavas): Heer Kṛṣṇa en de Pāṇḍavas blazen op hun schelphoorns en verbrijzelen zo de harten van de tegenpartij.


TEKENEN VAN OVERWINNING (14–20)

Sañjaya beschrijft verschillende tekenen van overwinning voor het Pāṇḍava-leger, met name het transcendentale geluid van de schelphoorns van Kṛṣṇa en Arjuna, dat de harten van de zonen van Dhṛtarāṣṭra verbrijzelde.

12-19: Blazen van schelphoorns (Tekenen van overwinning van de Pāṇḍava's): Heer Kṛṣṇa en de Pāṇḍava's blazen op hun schelphoorns en verbrijzelen zo de harten van de tegenpartij.

20-27: Arjuna observeert de legers


KṚṢṆA ALS BHAKTA-VATSALA (21–27)

Kṛṣṇa verschijnt als de wagenmenner van Arjuna, en onthult Zijn kwaliteit als bhakta-vatsala. Arjuna beveelt Kṛṣṇa om zijn wagen tussen de twee legers te plaatsen, omdat hij wil zien wie er aanwezig is. Arjuna aarzelt om te vechten als hij ziet wie er voor de strijd verzameld zijn.

20-27: Arjuna observeert de legers

20-25: Arjuna verlangt ernaar om de aanhangers van Duryodhana te zien en vraagt ​​Kṛṣṇa om de wagen tussen de twee legers te nemen.

26-27: Arjuna wordt overweldigd door mededogen als hij verschillende soorten verwanten ziet.


ARJUNA'S TWIJFEL (28–46)

Mededogen: Arjuna, een zachtaardige toegewijde, raakt overweldigd door mededogen en vergeet zichzelf wanneer hij zijn verwanten voor zich ziet. Hij is bang geworden door een materiële opvatting van het leven.

Genieten: Hij beweert dat hij niet van zijn koninkrijk zal kunnen genieten als het ten koste gaat van de levens van zijn familieleden. Hij vreest zondige reacties voor het doden van zijn verwanten.

Heiligheid en angst voor zondige reacties: Arjuna beweert dat het doden van je familie zondig is en naar de hel zal leiden. Het hogere principe is dat echte religie is wat Kṛṣṇa zegt of wil.

Vernietiging van familie: Arjuna beweert verder dat de vernietiging van de dynastie zal leiden tot onkuise vrouwen, ongewenste kinderen en het einde van de spirituele cultuur. Arjuna, die heeft besloten niet te vechten, gooit uiteindelijk zijn boog weg en gaat op de strijdwagen zitten.

28-46: Arjuna’s redenen om niet te vechten

28-30: Eerste reden – Mededogen voor familieleden en de daaruit voortvloeiende lichamelijke symptomen

31-35: Tweede reden – Geen genot voorzien in de overwinning

36-38: Derde reden – Angst voor zondige reacties

39-43: Vierde reden – Schadelijke effecten van het vernietigen van de familie

44-46: Arjuna, die door verdriet overmand is, besluit niet te vechten.