Posts tonen met het label hoofdstuk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hoofdstuk. Alle posts tonen

dinsdag 4 februari 2025

Samenvatting Hoofdstuk 1 - HET OBSERVEREN VAN DE LEGERS OP HET SLAGVELD VAN KURUKSHETRA

HOOFDSTUK 1 Arjuna Viṣāda-yōga

Dharma-kṣetre 1.1

Duryodhana's diplomatie 1.3-11

Tekenen van overwinning voor de Pāṇḍava's 1.14-20

Kṛṣṇa als Bhakta-vatsala 1.21-27

Arjuna's redenen om niet te vechten 1.28-46


Terwijl de vijandige legers klaarstaan ​​voor de strijd, ziet Arjuna, de machtige krijger, zijn intieme verwanten, leraren en vrienden in beide legers klaar om te vechten en hun levens op te offeren. Overmand door verdriet en medelijden, faalt Arjuna in kracht, zijn geest raakt verbijsterd en hij geeft zijn vastberadenheid om te vechten op.


INLEIDING: VOORBEREIDINGEN VOOR DE OORLOG (1–13)

Dhṛtarāṣṭra vraagt ​​Sañjaya naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in Kurukṣetra. Sañjaya beschrijft hoe Duryodhana, met behulp van diplomatie, het probleem oplost van het aanmoedigen van Droṇācārya zonder Bhīṣma en anderen te beledigen. Bhīṣma verzamelt zijn soldaten met het geluid van zijn schelphoorn. Toch duidt de symboliek van de schelphoorn op hun nederlaag.

1: Dhṛtarāṣṭra's vraag aan Sañjaya: Blinde Dhṛtarāṣṭra, die partijdig is voor zijn eigen zonen, vraagt ​​wat zijn zonen en de Pāṇḍava's deden op het slagveld.

2-11: Duryodhana's angst en diplomatie bij het beschrijven van de legers: Duryodhana gaat naar Droṇācārya en beschrijft de krijgers van het leger van de Pāṇḍavas en zijn eigen leger en vergelijkt ze.

12-19: Blazen van schelphoorns (tekenen van overwinning van de Pāṇḍavas): Heer Kṛṣṇa en de Pāṇḍavas blazen op hun schelphoorns en verbrijzelen zo de harten van de tegenpartij.


TEKENEN VAN OVERWINNING (14–20)

Sañjaya beschrijft verschillende tekenen van overwinning voor het Pāṇḍava-leger, met name het transcendentale geluid van de schelphoorns van Kṛṣṇa en Arjuna, dat de harten van de zonen van Dhṛtarāṣṭra verbrijzelde.

12-19: Blazen van schelphoorns (Tekenen van overwinning van de Pāṇḍava's): Heer Kṛṣṇa en de Pāṇḍava's blazen op hun schelphoorns en verbrijzelen zo de harten van de tegenpartij.

20-27: Arjuna observeert de legers


KṚṢṆA ALS BHAKTA-VATSALA (21–27)

Kṛṣṇa verschijnt als de wagenmenner van Arjuna, en onthult Zijn kwaliteit als bhakta-vatsala. Arjuna beveelt Kṛṣṇa om zijn wagen tussen de twee legers te plaatsen, omdat hij wil zien wie er aanwezig is. Arjuna aarzelt om te vechten als hij ziet wie er voor de strijd verzameld zijn.

20-27: Arjuna observeert de legers

20-25: Arjuna verlangt ernaar om de aanhangers van Duryodhana te zien en vraagt ​​Kṛṣṇa om de wagen tussen de twee legers te nemen.

26-27: Arjuna wordt overweldigd door mededogen als hij verschillende soorten verwanten ziet.


ARJUNA'S TWIJFEL (28–46)

Mededogen: Arjuna, een zachtaardige toegewijde, raakt overweldigd door mededogen en vergeet zichzelf wanneer hij zijn verwanten voor zich ziet. Hij is bang geworden door een materiële opvatting van het leven.

Genieten: Hij beweert dat hij niet van zijn koninkrijk zal kunnen genieten als het ten koste gaat van de levens van zijn familieleden. Hij vreest zondige reacties voor het doden van zijn verwanten.

Heiligheid en angst voor zondige reacties: Arjuna beweert dat het doden van je familie zondig is en naar de hel zal leiden. Het hogere principe is dat echte religie is wat Kṛṣṇa zegt of wil.

Vernietiging van familie: Arjuna beweert verder dat de vernietiging van de dynastie zal leiden tot onkuise vrouwen, ongewenste kinderen en het einde van de spirituele cultuur. Arjuna, die heeft besloten niet te vechten, gooit uiteindelijk zijn boog weg en gaat op de strijdwagen zitten.

28-46: Arjuna’s redenen om niet te vechten

28-30: Eerste reden – Mededogen voor familieleden en de daaruit voortvloeiende lichamelijke symptomen

31-35: Tweede reden – Geen genot voorzien in de overwinning

36-38: Derde reden – Angst voor zondige reacties

39-43: Vierde reden – Schadelijke effecten van het vernietigen van de familie

44-46: Arjuna, die door verdriet overmand is, besluit niet te vechten.

woensdag 31 juli 2019

Wie is het voorbeeld van een mat-parah gegeven in vers 61 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


mat-paraḥ — in relatie met Mij;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 61:
tāni sarvāṇi saṁyamya, yukta āsīta mat-paraḥ
vaśe hi yasyendriyāṇi, tasya prajñā pratiṣṭhitā

Woord-voor-woord-vertalingen:
tāni — die zintuigen; sarvāṇi — alle; saṁyamya — beheersend; yuktaḥ — verbonden; āsīta — moet zich bevinden; mat-paraḥ — in relatie met Mij; vaśe — in volledige onderwerping; hi — zeker; yasya — iemand van wie; indriyāṇi — zintuigen; tasya — zijn; prajñā — bewustzijn; pratiṣṭhitā — onwankelbaar.

Vertaling:
Wie zijn zintuigen beheerst en volledig in bedwang houdt en zijn bewustzijn op Mij richt, wordt een mens van onwankelbare intelligentie genoemd.

Uitleg:
In dit vers wordt duidelijk gezegd dat Kṛṣṇa-bewustzijn de hoogste vorm van perfectie in yoga is. Men kan onmogelijk zijn zintuigen beheersen zonder Kṛṣṇa-bewust te zijn. Zoals hierboven al gezegd is, zocht de grote wijze Durvāsā Muni onenigheid met Mahārāja Ambarīṣa; Durvāsā Muni werd uit trots onnodig kwaad en kon daardoor zijn zintuigen niet bedwingen. De koning, die weliswaar niet zo’n machtige yogī was als de wijze, maar wel een toegewijde van de Heer, verdroeg daarentegen zwijgend het onrecht dat de wijze hem aandeed en triomfeerde daardoor. De koning was in staat zijn zintuigen te beheersen, omdat hij de volgende eigenschappen had die in het Śrīmad-Bhāgavatam (9.4.18-20) worden genoemd:

sa vai manaḥ kṛṣṇa-padāravindayor
vacāṁsi vaikuṇṭha-guṇānuvarṇane
karau harer mandira-mārjanādiṣu
śrutiṁ cakārācyuta-sat-kathodaye
mukunda-liṅgālaya-darśane dṛśau
tad-bhṛtya-gātra-sparśe ’ṅga-saṅgamam
ghrāṇaṁ ca tat-pāda-saroja-saurabhe
śrīmat-tulasyā rasanāṁ tad-arpite
pādau hareḥ kṣetra-padānusarpaṇe
śiro hṛṣīkeśa-padābhivandane
kāmaṁ ca dāsye na tu kāma-kāmyayā
yathottama-śloka-janāśrayā ratiḥ

‘Koning Ambarīṣa concentreerde zijn geest op de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa, gebruikte zijn woorden om de verblijfplaats van de Heer te beschrijven; zijn handen om de tempel van de Heer schoon te maken; zijn oren om over de activiteiten van vermaak van de Heer te horen; zijn ogen om de vorm van de Heer te zien; zijn lichaam om de lichamen van de toegewijden aan te raken; zijn neus om de geur van de bloemen die aan de lotusvoeten van de Heer zijn geofferd, te ruiken; zijn tong om de tulasī-bladeren te proeven die aan Hem zijn geofferd; zijn benen om naar de heilige plaats te reizen waar Zijn tempel staat; zijn hoofd om eerbetuigingen te brengen aan de Heer, en zijn verlangens om de verlangens van de Heer te vervullen — en al deze eigenschappen maakten hem geschikt om een mat-parah-toegewijde van de Heer te worden.’

Het woord ‘mat-parah’ is uiterst belangrijk in dit verband. Hoe iemand mat-parah kan worden, blijkt uit de levensbeschrijving van Mahārāja Ambarīṣa. Śrīla Baladeva Vidyābhūṣaṇa, een groot geleerde en ācārya in de lijn van mat-parah-toegewijden, merkt het volgende op: mad-bhakti-prabhāvena sarvendriya-vijaya-pūrvikā svātma-dṛṣṭiḥ sulabheti bhāvaḥ. ‘De zintuigen kunnen alleen volledig worden beheerst door de kracht van devotionele dienst aan Kṛṣṇa.’ Soms wordt ook het voorbeeld van het vuur gegeven: ‘Zoals een laaiend vuur alles in een kamer verbrandt, zo brandt Heer Viṣṇu, die Zich in het hart van de yogī bevindt, alle onzuiverheden weg.’ Het Yoga-sūtra schrijft ook meditatie op Heer Viṣṇu voor en niet mediteren op de leegte. De zogenaamde yogī’s die op iets anders dan de vorm van Viṣṇu mediteren, verspillen eenvoudig hun tijd met het vergeefs najagen van hersenschimmen. We moeten Kṛṣṇa-bewust worden, toegewijd aan de Persoonlijkheid Gods. Dat is het doel van ware yoga.

woensdag 26 juni 2019

Wat is de betekenis van: anu-atma en vibhu-atma?

In het laatste deel van de uitleg van Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, hoofdstuk 2, vers 20, schrijft Srila Prabhupada:
Er bestaan twee soorten zielen, namelijk de minuscule ziel, die een deeltje is (aṇu-ātmā), en de Superziel (vibhu-ātmā). Dit wordt bevestigd in de Kaṭha Upaniṣad (1.2.20):
aṇor aṇīyān mahato mahīyān, ātmāsya jantor nihito guhāyām
tam akratuḥ paśyati vīta-śoko, dhātuḥ prasādān mahimānam ātmanaḥ
‘Zowel de Superziel [Paramātmā] als de atomische ziel [jīvātmā] bevindt zich in dezelfde boom van het lichaam, in hetzelfde hart van het levend wezen; alleen degene die vrij is geraakt van alle materiële verlangens en verdriet, kan door de genade van de Allerhoogste de glorie van de ziel begrijpen.’ Kṛṣṇa is ook de oorsprong van de Superziel (dit zal in de volgende hoofdstukken worden uitgelegd) en Arjuna is de atomische ziel die zijn werkelijke natuur vergeten is; daarom moet hij door Kṛṣṇa of door Zijn bonafide vertegenwoordiger (de spiritueel leraar) worden verlicht.

Waarom wordt het doden van dieren tijdens een offer niet beschouwd als een daad van geweld?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, vers 31:
sva-dharmam api cāvekṣya, na vikampitum arhasi
dharmyād dhi yuddhāc chreyo ’nyat, kṣatriyasya na vidyate

Woord-voor-woord-vertalingen:
sva-dharmam — iemands voorgeschreven religieuze principes; api — ook; ca — zeker; avekṣya — rekening houdend met; na — nooit; vikampitum — aarzelen; arhasi — je moet; dharmyāt — voor religieuze principes; hi — zeker; yuddhāt — dan te strijden; śreyaḥ — betere bezigheid; anyat — alle andere; kṣatriyasya — van de kṣatriya; na — niet; vidyate — bestaat.

Vertaling:
Omdat je voorgeschreven plicht die van een kṣatriya is, zou je ervan doordrongen moeten zijn dat er voor jou geen betere bezigheid is dan te strijden volgens religieuze principes; er is dus geen reden tot aarzelen.

Uitleg:
Van de vier klassen binnen het sociale bestel wordt de tweede klasse, die voor een goed bestuur moet zorgen, kṣatriya genoemd. Kṣat betekent ‘verwonden’. Wie bescherming tegen kwaad biedt, wordt een kṣatriya genoemd (trāyate — bescherming geven). De kṣatriya’s worden in het bos getraind om te doden. Vroeger ging een kṣatriya het woud in om met het zwaard een tweegevecht aan te gaan met een tijger. Was de tijger eenmaal gedood, dan kreeg deze de koninklijke eer gecremeerd te worden. Dit is tot op de dag van vandaag nog steeds een gebruik van de kṣatriya-koningen van de staat Jaipur. Kṣatriya’s worden speciaal getraind in uitdagen en doden, omdat geweld soms noodzakelijk is voor een religieuze zaak. Het is daarom dan ook niet de bedoeling dat kṣatriya’s rechtstreeks de levensorde van sannyāsa of van onthechting aanvaarden. In de politiek kan geweldloosheid een diplomatieke tactiek zijn, maar het is nooit een grondbeginsel. In de religieuze wetboeken wordt gesteld:
āhaveṣu mitho ’nyonyaṁ, jighāṁsanto mahī-kṣitaḥ
yuddhamānāḥ paraṁ śaktyā, svargaṁ yānty aparāṅ-mukhāḥ
yajñeṣu paśavo brahman, hanyante satataṁ dvijaiḥ
saṁskṛtāḥ kila mantraiś ca, te ’pi svargam avāpnuvan
‘Wanneer een koning of kṣatriya op het slagveld strijd levert met een vijandige koning, dan is hij gekwalificeerd om na zijn dood de hemelse planeten te bereiken, zoals ook de brāhmaṇa’s de hemelse planeten bereiken door dieren te offeren in het offervuur.’ Vandaar dat het doden van vijanden op het slagveld op basis van religieuze principes en het doden van dieren in het heilige offervuur beslist niet als daden van geweld worden beschouwd, omdat iedereen baat heeft bij de religieuze principes die ermee verbonden zijn. Het offerdier krijgt onmiddellijk een menselijke levensvorm zonder dat het via een geleidelijk evolutionair proces van de ene levensvorm naar de andere hoeft te gaan, en de kṣatriya’s die op het slagveld worden gedood, bereiken de hemelse planeten, net als de brāhmaṇa’s die offers verrichten.
Er bestaan twee soorten sva-dharma’s of specifieke plichten. Zolang men nog niet bevrijd is, moet men, in overeenstemming met de religieuze principes, de plichten vervullen die bij zijn bepaalde lichaam horen om bevrijding te bereiken. Is men eenmaal bevrijd, dan is het sva-dharma, de specifieke plicht, spiritueel en niet meer onderhevig aan een materiële en lichamelijke levensopvatting. Binnen een lichamelijke levensopvatting zijn er verschillende plichten voor de brāhmaṇa’s en de kṣatriya’s en zulke plichten zijn onvermijdelijk. Ieders sva-dharma wordt door de Heer voorgeschreven; dit zal in het vierde hoofdstuk worden verduidelijkt. Op het lichamelijk niveau wordt sva-dharma aangeduid met varṇāśrama-dharma of de springplank voor de mens om tot spirituele bewustwording te komen. Van menselijke samenleving is sprake vanaf het niveau van varṇāśrama-dharma of de specifieke plichten overeenkomstig de specifieke hoedanigheden van de natuur die bij het lichaam horen dat men gekregen heeft. Wie binnen welk type activiteiten dan ook zijn specifieke plicht vervult in overeenstemming met de instructies van hogere autoriteiten, zal daardoor tot een hoger bestaansniveau worden verheven.

vrijdag 31 mei 2019

Gebed tot de lotusvoeten van Krishna

door Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Prabhupada
Stichter en Enige-Acarya van de Internationale Gemeenschap voor Krishna Bewustzijn

Op 13 september 1965 schreef Srila Prabhupada het volgende gebed aan boord van het stoomschip Jaladuta op weg naar Amerika.
___________________________________________________________

Ik zeg nadrukkelijk tegen je, O broeders, dat je je geluk alleen van de Allerhoogste Heer Krsna zult krijgen als Srimati Radharani tevreden met je wordt.
Sri Srimad Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakur, die Lord Gauranga, de zoon van moeder Saci, zeer dierbaar is, is ongeëvenaard in zijn dienst aan de Allerhoogste Heer Sri Krsna. Hij is die grote heilige spirituele meester die op verschillende plaatsen in de wereld een intense toewijding aan Krsna schenkt.
Door zijn sterke verlangen zal de heilige naam van Heer Gauranga zich door alle landen van de Westerse wereld verspreiden. In alle steden, dorpen en voorsteden op aarde, uit alle oceanen, zeeën, rivieren en beken, zingt iedereen de heilige naam Krsna.
Zoals de enorme genade van Sri Caitanya Mahaprabhu alle richtingen overwint, zal een overstroming van transcendentale extase zeker het land bedekken. Wanneer alle zondige, miserabele levende wezens gelukkig worden, wordt het verlangen van de Vaisnava vervuld.
Hoewel mijn Guru Maharaja mij opdracht gaf om deze missie te volbrengen, ben ik het niet waard of geschikt om het te doen. Ik ben erg gevallen en onbeduidend. Daarom, O Heer, smeek ik nu om Uw genade zodat ik waardig kan worden, want U bent de wijste en meest ervaren van alles.
Als U Uw kracht schenkt, bereikt men door het dienen van de spiritueel leraar de Absolute Waarheid - wordt iemands leven succesvol. Als die dienst wordt verkregen, wordt men gelukkig en krijgt uw associatie ten gevolge van geluk.

evaṁ janaṁ nipatitaṁ prabhavāhi-kūpe
kāmābhikāmam anu yaḥ prapatan prasaṅgāt
kṛtvātmasāt surarṣiṇā bhagavan gṛhītaḥ
so ’haṁ kathaṁ nu visṛje tava bhṛtya-sevām
"Mijn lieve Heer, O Allerhoogste Persoonlijkheid van God, vanwege mijn omgang met materiële verlangens, de een na de ander, viel ik geleidelijk in een blinde put van slangen, de algemene bevolking volgend, maar Uw dienaar Narada Muni aanvaardde mij vriendelijk als zijn discipel en instrueerde me hoe deze transcendentale positie te bereiken is. Daarom is het mijn eerste plicht hem te dienen. Hoe kon ik zijn dienst verlaten?" (Prahlada Maharaja aan Lord Nrsimhadeva, Srimad-Bhagavatam, 7.9.28)

O Heer Krsna, U bent mijn eeuwige metgezel. Door U te vergeten, heb ik de schoppen van maya -geboorte na geboorte geleden. Als vandaag de kans om U te ontmoeten opnieuw optreedt, dan zal ik zeker in staat zijn om weer bij U te komen.
O beste vriend, in Uw gezelschap zal ik opnieuw grote vreugde ervaren. In de vroege ochtend dwaal ik af over de koeherdersweiden en velden. Rennen en stoeien in de vele wouden van Vraja, ik rol op de grond in spirituele extase. O, wanneer zal die dag de mijne zijn?
Vandaag is die herinnering aan U op een hele leuke manier naar mij gekomen. Omdat ik een groot verlangen heb, heb ik U geroepen. Ik ben Uw eeuwige dienaar en daarom wens ik Uw associatie zo graag. O Heer Krsna, behalve U is er geen ander middel van succes.

donderdag 18 april 2019

Wat is de betekenis van de zin ksudram hrdaya-daurbalya in vers 3 van hoofdstuk 2 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


kṣudram - heel weinig; hṛdaya-hart; daurbalyam-zwakte;

Het kleine beetje zwakte die opkomt in het hart voor respectabele Bhīṣma en zijn familieleden. Dit is een grootmoedige houding. Maar Kṛṣṇa vond dat dit soort grootmoedigheid niet goedgekeurd is door de autoriteit. Daarom moet dergelijke grootmoedigheid of zogenaamde geweldloosheid worden opgegeven door personen zoals Arjuna onder de directe leiding van Kṛṣṇa.


Ook had Arjuna te maken met de 6 soorten aanvallers: Wat zijn de zes soorten aanvallers?

Wat zijn de zes symptomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Bhagavan Krishna in het Nederlands of Sanskriet?


Bhagavān betekent degene die deze zes rijkdommen volledig bezit: alle rijkdom, alle kracht, alle invloed, alle kennis, alle schoonheid, alle verzaking. "Dus, er is geanalyseerd hoe we al deze weelde bezitten, en het is gevonden door de grote wijzen dat Kṛṣṇa de bezitter is van alle vormen van rijkdom - alle schoonheid, alle wijsheid. Īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ (BS 5,1) De allerhoogste bezitter is Kṛṣṇa Sac-cid-ānanda-vigrahaḥ, anādir ādir govindaḥ sarva-kāraṇa-kāraṇam (Bs. 5.1).

Sad-aiśvarya-pūrṇa: vol met zes weelde, uit Viṣṇu Purāṇa 6.5.47:
1. rijkdom (aiśvaryasya),
2. kracht (vīryasya),
3. bekendheid/reputatie/invloed (yaśasaḥ),
4. schoonheid (śriyaḥ),
5. kennis (jñāna) en
6. verzaking (vairāgya)

Wat waren de argumenten van Arjuna om niet te vechten in de oorlog van Kurukṣetra? (1.27-2.7)


1. Compassie voor de andere kant (Hoofdstuk 1, vers 27),
2. Niet kunnen genieten na de oorlog (Hoofdstuk 1, verzen 30–35),
3. Heiligheid en angst voor zondige reacties door het doden van familie (Hoofdstuk 1, verzen 36, 43–44 en hoofdstuk 2, vers 5),
4. Vernietiging van het gezin en familie (onkuise vrouwen) (Hoofdstuk 1, verzen 37–43),
5. Twijfelachtig om te vechten (Hoofdstuk 2, verzen 6–7).

Wat zijn de progressieve stappen die leiden naar de vernietiging van een dynastie? (1.39-42)


1.Het doden van oudere leden van de familie
2.Het stoppen van verzuiveringsprocessen in de familie,
3.Ontwikkeling van niet-religieuze gewoonten (de kans op geestelijke redding verliezen) door overgebleven jongere familieleden,
4.Corruptie van vrouwen in familie,
5.De komst van ongewenste nakomelingen van degradatie van de vrouwen,
6.Creëren van een helse situatie voor de mensheid waarbij de familietraditie wordt vernietigd

Wat zijn de zes soorten aanvallers?


Volgens Vedische bevelen zijn er zes soorten aanvallers:

1) een gifgever,
2) iemand die het huis in brand steekt,
3) iemand die aanvalt met dodelijke wapens,
4) iemand die rijkdommen plundert,
5) iemand die het land van iemand anders bezet, en
6) iemand die een vrouw kidnapt.

Zulke aanvallers moeten onmiddellijk worden gedood, en geen zonde wordt opgelopen door het doden van dergelijke aanvallers. Een dergelijke moord op aanvallers past bij elke gewone man, maar Arjuna was geen gewoon persoon. Hij was heilig van karakter en daarom wilde hij hen in heiligheid 
behandelen. Dit soort heiligheid is echter niet voor een kṣatriya.


Wat is de betekenis van het woord guḍākeśa in vers 24 van hoofdstuk 1 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


Guḍāka betekent slaap, en iemand die slaap overwint wordt guḍākeśa genoemd. Slaap betekent ook onwetendheid. Dus Arjuna overwon zowel slaap als onwetendheid vanwege zijn vriendschap met Kṛṣṇa. Als grote toegewijde van Kṛṣṇa kon hij Kṛṣṇa zelfs een moment niet vergeten, omdat dat de aard van een toegewijde is. Zowel bij het ontwaken als in de slaap kan een toegewijde van de Heer nooit vrij zijn om aan Kṛṣṇa's naam, vorm, kwaliteit en spel en vermaak te denken. Dus een toegewijde van Kṛṣṇa kan zowel slaap als onwetendheid overwinnen door simpelweg voortdurend aan Kṛṣṇa te denken. Dit wordt Kṛṣṇa-bewustzijn of samādhi genoemd. Als Hṛṣīkeśa, of de leider van de zintuigen en geest van elke levende entiteit, kon Kṛṣṇa het doel van Arjuna begrijpen door de wagen midden op het slagveld, tussen de legers te plaatsen.

Wat is de betekenis van Hanuman's aanwezigheid op de vlag van Arjuna?


Het embleem van Hanuman op de vlag van Arjuna is een ander teken van overwinning, omdat Hanuman samenwerkte met Heer Rama in de strijd tussen Rama en Râvana en Heer Rama als overwinnaar tevoorschijn kwam. Nu waren zowel Rama als Hanuman aanwezig op de wagen van Arjuna om hem te helpen. Heer Kṛṣṇa is Rāma Zelf en waar Heer Rāma is, is Zijn eeuwige dienaar Hanumān en Zijn eeuwige gemalin Sītā, de godin van het geluk, aanwezig. Daarom had Arjuna geen enkele reden om enige vijanden te vrezen. En bovenal was de Heer van de zinnen, Heer Kṛṣṇa, persoonlijk aanwezig om hem advies te geven. Dus, alle goede raad was beschikbaar voor Arjuna in de kwestie van het uitvoeren van de strijd. Onder zulke gunstige voorwaarden, opgesteld door de Heer voor Zijn eeuwige toegewijde, liggen de tekenen van een gegarandeerde overwinning.

Wat zijn de vier tekenen van overwinning voor de Pandava's?


  1. Het klinken van transcendentale schelphoorns wees erop dat er geen hoop op overwinning was voor de andere kant omdat Krsna aan de kant van de Pandava's stond.
  2. Wanneer en waar de Heer ook is, de Godin van het Geluk is er ook met haar echtgenoot. Dit zijn tekenen: overwinning en fortuinlijkheid.
  3. De strijdwagen waarop beiden zaten, was geschonken door Agni, dit geeft aan dat deze wagen in staat was om alle kanten te veroveren, waar deze ook werd getrokken over de drie werelden.
  4. Het embleem van Hanuman op de vlag van Arjuna is een ander teken van overwinning

Waarom was Duryodhana zeker van volledige steun van Bhismadeva en Drona?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 1, TEXT 11:
ayaneṣu ca sarveṣu, yathā-bhāgam avasthitāḥ
bhīṣmam evābhirakṣantu, bhavantaḥ sarva eva hi

Woord-voor-woord-vertalingen:
ayaneṣu — in strategische posities; ca — ook; sarveṣu — overal; yathā-bhā-gam — zoals verschillend opgesteld; avasthitāḥ — geplaatst; bhiṣmam — aan Grootvader Bhīṣma; eva — zeker; abhirakṣantu — moeten dekking geven; bhavantaḥ — jullie; sarve — allemaal respectievelijk; eva hi — zeker.

Vertaling:
Jullie moeten Grootvader Bhīṣma nu allemaal volledige dekking geven, ieder vanuit zijn eigen strategische positie om door te dringen in de slagorde van de vijand.

Uitleg:
Nadat hij Bhīṣma’s moed en bekwaamheid geprezen had, bedacht Duryodhana dat de anderen misschien zouden denken dat ze minder belangrijk werden gevonden; daarom probeerde hij op zijn gebruikelijke diplomatieke manier de situatie met de bovenstaande woorden te manipuleren. Hij benadrukte dat Bhīṣmadeva ongetwijfeld de grootste held was, maar dat hij daarnaast ook een oude man was en dat iedereen er daarom aan moest denken om hem van alle kanten te beschermen. Als Bhīṣma betrokken zou raken in de strijd en zich maar op īīn plaats zou concentreren, dan zou de vijand daar zijn voordeel mee kunnen doen. Het was daarom van belang dat de andere helden hun strategische posities niet zouden verlaten, omdat de vijand anders zou kunnen doordringen in de gevechtsformatie. Duryodhana voelde duidelijk dat de overwinning van de Kuru’s afhing van de aanwezigheid van Bhīṣmadeva. Hij was er zeker van dat Bhīṣmadeva en Droṇācārya hem volledig zouden steunen in de strijd, want hij herinnerde zich nog heel goed dat zij geen woord hadden gesproken toen de vrouw van Arjuna, Draupadī, hen in een hulpeloze positie had gesmeekt haar recht te doen toen ze gedwongen werd naakt te verschijnen voor alle generaals die tijdens de samenkomst aanwezig waren. Hoewel hij wist dat de twee generaals een zekere genegenheid voor de Pāṇḍava’s hadden, hoopte hij niettemin dat deze generaals die genegenheid nu volledig zouden opgeven, zoals zij tijdens het gokspel hadden gedaan.

Maak een lijst van de geloften die Bhima na de gokwedstrijd heeft afgelegd. (1,4)


Breek Duryodhana's dijen en scheur Dusasans op de borst en drink zijn bloed

Wat is de betekenis van Duryodhana's uitspraak dhīmatā, tava śiṣyeṇa in vers 3 van hoofdstuk 1 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


Drona, omdat hij een goede brahmana was, accepteerde zelfs zijn vijand als zijn student. Deze student staat nu voor hem en regelt het leger van Drona's vijand. Duryodhana wilde bij Drona erop wijzen dat dit een vergissing is en dat hij mogelijk compromisloos is in de gevechten. Ook bij het ontmoeten van de pandava's in de strijd, vooral Arjuna, mag Drona ook compromisloos zijn, omdat hij zijn zeer intelligente discipel is. (Tava-je; śiṣyeṇa-discipel; dhīmatā-zeer intelligent.)

Hoe kon Sañjaya het slagveld van Kurukṣetra zien?


Hij was een student van Srila Vyāsadeva en door Zijn genade kon hij zich het slagveld van Kurukṣetra voorstellen terwijl hij in de kamer van Dhṛtarāṣṭra was

Waarom vraagt Dhṛtarāṣṭra aan Sañjaya, wat zijn zonen en de zonen van Pāṇḍu deden, na het samenkomen op de pelgrimsoord bij Kurukṣetra, verlangend om te vechten?


Omdat hij zeer twijfelachtig was of zijn zoons uiteindelijk de overwinning zouden verkrijgen. In zijn twijfel vroeg hij aan zijn secretaris Sañjaya: "Wat hebben mijn zonen en de zonen van Pāṇḍu gedaan?" Hij was ervan overtuigd dat zowel zijn zonen als de zonen van zijn jongere broer Pāṇḍu zich op dat veld van Kurukṣetra hadden verzameld voor een vastberaden oorlog. Toch is zijn vraag belangrijk. Hij wilde geen compromis tussen de neven en broers en hij wilde zeker zijn van het lot van zijn zonen op het slagveld. Omdat de strijd geregeld was om te worden gevochten tegen Kurukṣetra, die elders in de Veda's wordt genoemd als een plaats van aanbidding - zelfs voor de bewoners van de hemel - werd Dhṛtarāṣṭra erg angstig over de invloed van de heilige plaats op de uitkomst van de strijd. Hij wist heel goed dat dit Arjuna en de zonen van Pāṇḍu gunstig zou beïnvloeden, omdat ze van nature allemaal deugdzaam waren. Sañjaya was een student van Vyāsa en daarom was Sañjaya, door de genade van Vyāsa, in staat om het slagveld van Kurukṣetra te aanschouwen, zelfs terwijl hij in de kamer van Dhṛtarāṣṭra was. En dus vroeg Dhṛtarāṣṭra hem naar de situatie op het slagveld.

Zowel de Pāṇḍava's als de zonen van Dhṛtarāṣṭra behoren tot dezelfde familie, maar de denkwijze van Dhṛtarāṣṭra wordt hierin beschreven. Hij beweerde opzettelijk alleen zijn zonen als Kuru's, en hij scheidde de zonen van Pāṇḍu van het familie-erfgoed. Men kan dus de specifieke positie van Dhṛtarāṣṭra begrijpen in zijn relatie met zijn neven, de zonen van Pāṇḍu.

Dhṛtarāṣṭra was de oudste zoon van de Kuru-dynastie, maar hij was blind, dit is een lichamelijk gebrek. Daarom kreeg hij de troon niet toegewezen. Zijn volgende broer, Pāṇḍu, kreeg de troon aangeboden, maar hij stierf op zeer jonge leeftijd, als een jonge man. Toen deze zonen van Pāṇḍu, de vijf zonen, Yudhiṣṭhira Mahārāja, in die tijd nog geen Mahārāja, Yudhiṣṭhira, Bhīma, Arjuna, Nakula, Sahadeva, kleine kinderen waren, werden ze opgevangen door Dhṛtarāṣṭra en andere oudere familieleden zoals Bhīṣmadeva. Hij was de grootvader van de Pāṇḍava's. Bhīṣma was de oudere broer van de vader van Dhṛtarāṣṭra. Hij was zo oud. Eigenlijk behoorde het koninkrijk toe aan Bhīṣma, maar hij bleef een brahmacārī, hij trouwde niet. Er was geen opvolger van Bhīṣmadeva. Daarom waren zijn neven, Dhṛtarāṣṭra en Pāṇḍu, erfgenaam.

Nu, na de dood van Pāṇḍu, was er een samenzwering. Dhṛtarāṣṭra dacht: "Dit is mijn koninkrijk, nu, op de een of andere manier, kon ik het niet krijgen." Nu is mijn broer dood, dus als ik het niet erf, waarom dan niet mijn zonen? " Dit wordt politiek genoemd. Afgunst en jaloezie vinden we altijd in de politiek. Dit is de aard van deze materiële wereld. Je kunt er niet omheen. Spirituele wereld betekent precies het tegenovergestelde. Er is geen politiek. Er is geen jaloezie. Er is geen afgunst. Dat is een spirituele wereld. En materiële wereld betekent politiek, jaloezie, diplomatie, afgunst, zoveel dingen. Dit is de materiële wereld. Dus zelfs in de hemelse planeten zijn deze dingen daar, politiek. Zelfs in het dierenrijk is deze politiek er. Dit is de natuur. Matsaratā. Matsaratā betekent afgunst. Een mens is jaloers op een andere mens. Het doet er niet toe, ook niet voor broeders of familieleden zoals Dhṛtarāṣṭra en Pāṇḍu.

Srimad Bhagavad-gītā zoals ze is Hoofdstuk 1 - श्रीमद् भगवद्गीता यथारूप अध्याय 1

श्लोक 1
धृतराष्ट्र उवाच 
धर्मक्षेत्रे कुरुक्षेत्रे समवेता युयुत्सवः |
मामकाः पाण्डवाश्र्चैव किमकुर्वत सञ्जय || १ ||

TEXT1
dhṛtarāṣṭra uvāca
dharma-kṣetre kuru-kṣetre, samavetā yuyutsavaḥ
māmakāḥ pāṇḍavāś caiva, kim akurvata sañjaya
Woord-voor-woord-vertalingen: 
dhṛtarāṣṭraḥ uvāca — koning Dhṛtarāṣṭra zei; dharma-kṣetre — in de bedevaartplaats; kuru-kṣetre — in de plaats genaamd Kurukṣetra; sama-vetāḥ — bijeengekomen; yuyutsavaḥ — met het verlangen te strijden; māmakāḥ — mijn partij (zonen); pāṇḍavāḥ — de zonen van Pāṇḍu; ca — en; eva — zeker; kim — wat; akurvata — deden ze; sañjaya — o Sañjaya.
Vertaling: 
Dhṛtarāṣṭra zei: O Sañjaya, wat deden mijn zonen en de zonen van Pāṇḍu toen ze vol strijdlust bijeen waren gekomen in de bedevaartplaats Kurukṣetra?
Uitleg: 
De Bhagavad-gītā is de veelgelezen theïstische wetenschap die in het Gītā-māhātmya (De verheerlijking van de Gītā) is samengevat. Daarin wordt gezegd dat men de Bhagavad-gītā met behulp van een toegewijde van Śrī Kṛṣṇa heel zorgvuldig moet lezen en dat men haar moet proberen te begrijpen zonder persoonlijk gekleurde interpretaties. In de Bhagavad-gītā zelf is het voorbeeld te vinden van hoe de Gītā begrepen moet worden, namelijk zoals ze door Arjuna begrepen werd, die de Gītā rechtstreeks van de Heer hoorde. Wanneer men fortuinlijk genoeg is de Bhagavad-gītā te begrijpen in die opeenvolging van discipelen, zonder gekleurde interpretaties, dan overstijgt men de studie van de Vedische wijsheid en alle andere heilige teksten van de wereld. In de Bhagavad-gītā zal men alles vinden wat ook in andere heilige teksten aanwezig is, maar de lezer zal er ook dingen in aantreffen die nergens anders te vinden zijn. Dat is de speciale positie die de Bhagavad-gītā inneemt. Ze is de perfecte theïstische wetenschap, omdat ze rechtstreeks gesproken werd door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Śrī Kṛṣṇa.
De onderwerpen die tussen Dhṛtarāṣṭra en Sañjaya besproken worden en die in het Mahābhārata worden beschreven, vormen de grondslag voor deze grootse filosofie. Deze filosofie werd uiteengezet op het Slagveld van Kurukṣetra, dat al sinds de onheuglijke tijd van het Vedische tijdperk een bedevaartplaats is. De Heer sprak deze filosofie toen Hij persoonlijk op deze planeet aanwezig was om leiding te geven aan de mensheid.
Het woord ‘dharma-kṣetra’ (een plaats waar religieuze rituelen worden verricht) is belangrijk omdat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods op het Slagveld van Kurukṣetra aan de kant van Arjuna stond. Dhṛtarāṣṭra, de vader van de Kuru’s, twijfelde er sterk aan dat zijn zonen uiteindelijk zouden zegevieren. Terwijl hij zo twijfelde, vroeg hij aan Sañjaya, zijn secretaris: ‘Wat deden ze?’ Hij was ervan overtuigd dat zowel zijn zonen als die van zijn jongere broer Pāṇḍu vol vastberadenheid op het slagveld bijeengekomen waren om de strijd aan te gaan. Maar toch is zijn vraag belangrijk. Hij wilde niet dat de neven en broers een compromis zouden aangaan en hij wilde zeker zijn van het lot van zijn zonen op het slagveld. Omdat besloten was dat de slag zou plaatsvinden op Kurukṣetra, dat ergens anders in de Veda’s beschreven wordt als een bedevaartsoord — zelfs voor de hemelbewoners — werd Dhṛtarāṣṭra zeer bezorgd over de invloed van de heilige plaats op de uitkomst van de strijd. Hij wist maar al te goed dat deze invloed gunstig was voor Arjuna en de zonen van Pāṇḍu, omdat ze allemaal van nature deugdzaam waren. Sañjaya was een leerling van Vyāsa en was daarom door de genade van Vyāsa in staat om zich het Slagveld van Kurukṣetra voor de geest te halen, ook al bevond hij zich in de kamer van Dhṛtarāṣṭra. Daarom vroeg Dhṛtarāṣṭra hem naar de situatie op het slagveld.
De Pāṇḍava’s en de zonen van Dhṛtarāṣṭra behoren tot dezelfde familie, maar Dhṛtarāṣṭra onthult hier zijn gedachten. Hij rekende doelbewust alleen zijn eigen zonen tot de Kuru’s en hij ontzegde de zonen van Pāṇḍu hun erfdeel. Hieruit wordt duidelijk wat Dhṛtarāṣṭra’s relatie en positie was ten opzichte van zijn neven, de zonen van Pāṇḍu. Zoals in een rijstveld de overbodige planten weggenomen worden, zo kon vanaf het begin van deze gebeurtenissen verwacht worden dat op het heilige veld Kurukṣetra, waar Śrī Kṛṣṇa, de vader van religie, aanwezig was, de ongewenste planten zoals Dhṛtarāṣṭra’s zoon Duryodhana en anderen weggevaagd zouden worden en dat diep religieuze personen, aangevoerd door Yudhiṣṭhira, door de Heer zouden worden aangesteld. Dat is de betekenis van de woorden ‘dharma-kṣetre’ en ‘kuru-kṣetre’, los van hun historische en Vedische betekenis.