Posts tonen met het label bhakti. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bhakti. Alle posts tonen

woensdag 31 juli 2019

Wat is de betekenis van de uitdrukking brahma-nirvanam rcchati in vers 72 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?

brahma-nirvāṇam — het spirituele koninkrijk van God; ṛcchati — men bereikt

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 72:
eṣā brāhmī sthitiḥ pārtha, naināṁ prāpya vimuhyati
sthitvāsyām anta-kāle ’pi, brahma-nirvāṇam ṛcchati

Woord-voor-woord-vertalingen:
eṣā — deze; brāhmī — spirituele; sthitiḥ — situatie; pārtha — o zoon van Pṛthā; na — nooit; enām — dit; prāpya — bereikend; vimuhyati — iemand is verward; sthitvā — vaststaand; asyām — in dit; anta-kāle — aan het eind van het leven; api — ook; brahma-nirvāṇam — het spirituele koninkrijk van God; ṛcchati — men bereikt.

Vertaling:
Dat is de spirituele en goddelijke levenswijze, en wie deze heeft bereikt, zal niet meer verward zijn. Wanneer iemand zich zelfs op het moment van de dood in die toestand bevindt, kan hij binnengaan in het koninkrijk van God.

Uitleg:
Men kan onmiddellijk, binnen een seconde, Kṛṣṇa-bewust worden of goddelijk leven, of men kan zelfs na miljoenen levens niet in staat zijn dit te bereiken. Het is een kwestie van de waarheid begrijpen en deze aanvaarden. Khaṭvāṅga Mahārāja bereikte deze toestand enkele minuten vóór zijn dood door zich over te geven an Kṛṣṇa.

Nirvāṇa betekent een einde maken aan het materiële leven. Volgens de boeddhistische filosofie is er na het beëindigen van dit materiële leven enkel de leegte, maar de Bhagavad-gītā leert iets anders. Het echte leven begint na het beëindigen van dit materiële bestaan. Voor een uitgesproken materialist is het voldoende om te weten dat men de materialistische levenswijze moet beëindigen, maar voor personen die spiritueel gevorderd zijn, is er na dit materiële bestaan een ander bestaan. Als iemand het geluk heeft om voor het beëindigen van dit leven Kṛṣṇa-bewust te worden, dan bereikt hij onmiddellijk het niveau van brahma-nirvāṇa.

Er bestaat geen verschil tussen het koninkrijk van God en devotionele dienst aan de Heer. Omdat ze zich allebei op het absolute vlak bevinden, is het zo dat, als men bezig is met transcendentale liefdedienst aan de Heer, men het spirituele koninkrijk bereikt heeft. In de materiële wereld zijn er activiteiten voor zinsbevrediging, maar in de spirituele wereld zijn er Kṛṣṇa-bewuste activiteiten. Met het verwerven van Kṛṣṇa-bewustzijn heeft men, zelfs tijdens dit leven, onmiddellijk het Brahman verworven en iemand die verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn is zeker al het koninkrijk van God binnengegaan. Brahman is precies het tegenovergestelde van materie. Brāhmī sthiti betekent daarom: ‘niet op het niveau van materiële activiteiten.’ Devotionele dienst aan de Heer wordt in de Bhagavad-gītā beschouwd als het niveau van bevrijding (sa guṇān samatītyaitān brahma-bhūyāya kalpate). Brāhmī sthiti is daarom bevrijding van materiële gebondenheid.

Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura heeft dit tweede hoofdstuk beschreven als de samenvatting van de hele Bhagavad-gītā. De onderwerpen die de Bhagavad-gītā behandelt, zijn karma-yoga, jñāna-yoga en bhakti-yoga. In het tweede hoofdstuk zijn karma- en jñāna-yoga uitvoerig besproken en ook is er een glimp van bhakti-yoga gegeven als de inhoud van de hele tekst.

Zo eindigen de commentaren van Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda bij het tweede hoofdstuk van Śrīmad Bhagavad-gītā, getiteld ‘Samenvatting van de Gītā’.

Wat is het onderwerp dat door de Veda's wordt behandeld?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 45:
trai-guṇya-viṣayā vedā, nistrai-guṇyo bhavārjuna
 nirdvandvo nitya-sattva-stho, niryoga-kṣema ātmavān

Woord-voor-woord-vertalingen:
trai-guṇya — betrekking hebbend op de drie hoedanigheden van de materiële natuur; viṣayāḥ — op het onderwerp; vedāḥ — Vedische literatuur; nistrai-guṇyaḥ — ontstegen aan de drie hoedanigheden van de materiële natuur; bhava — wees; arjuna — o Arjuna; nirdvandvaḥ — zonder dualiteit; nitya-sattva-sthaḥ — in een zuivere toestand van spiritueel bestaan; niryoga-kṣemaḥ — vrij van gedachten aan winst en bescherming; ātma-vān — verankerd in het zelf.

Vertaling:
De Veda’s spreken vooral over de drie hoedanigheden van de materiële natuur. O Arjuna, ontstijg aan deze drie hoedanigheden. Raak bevrijd van alle dualiteiten en van alle bezorgdheid om winst of veiligheid en wees verankerd in het zelf.

Uitleg:
Alle materiële activiteiten brengen onder invloed van de drie hoedanigheden van de materiële natuur acties en reacties met zich mee. Ze zijn bedoeld voor zelfzuchtige resultaten, die gebondenheid in de materiële wereld veroorzaken. De Veda’s gaan voor het grootste gedeelte over resultaatgerichte activiteiten om het gewone volk geleidelijk aan te verheffen van het zintuiglijke vlak tot een positie op het transcendentale vlak. Als leerling en vriend van Heer Kṛṣṇa wordt Arjuna aangeraden zichzelf te verheffen tot het transcendentale niveau van de vedānta-filosofie, die begint met brahma-jijñāsā of vragen over de allerhoogste transcendentale werkelijkheid.

Alle levende wezens in de materiële wereld leveren een bittere strijd om het bestaan. Na de schepping van de materiële wereld gaf de Heer hun de Vedische wijsheid, die aanwijzingen geeft over hoe ze moeten leven om zich van de materiële verstrikking te bevrijden. Wanneer de activiteiten voor zinsbevrediging, namelijk het karma-kāṇḍa-hoofdstuk, afgerond zijn, wordt de kans op spirituele bewustwording geboden in de vorm van de upaniṣads, die deel uitmaken van verschillende Veda’s, zoals de Bhagavad-gītā deel uitmaakt van de vijfde veda, het Mahābhārata. Het spirituele leven begint pas vanaf de upaniṣads.

Zolang het materiële lichaam bestaat, zijn er acties en reacties onder invloed van de materiële hoedanigheden. Men moet verdraagzaam leren zijn wanneer dualiteiten als geluk en ellende of hitte en kou zich voordoen, en door zulke dualiteiten te verdragen moet men alle angst voor winst en verlies laten varen. Deze transcendentale positie bereikt men in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn, wanneer men totaal afhankelijk is van de welwillendheid van Kṛṣṇa.

Wat is de betekenis van de uitdrukking vyavasayatmika buddhi in vers 41 in hoofdstuk 2 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


vyavasāya-ātmikā — vastberaden in Kṛṣṇa-bewustzijn; buddhiḥ — intelligentie;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 41:
vyavasāyātmikā buddhir, ekeha kuru-nandana
bahu-śākhā hy anantāś ca, buddhayo ’vyavasāyinām

Woord-voor-woord-vertalingen:
vyavasāya-ātmikā — vastberaden in Kṛṣṇa-bewustzijn; buddhiḥ — intelligentie; ekā — maar īīn; iha — in deze wereld; kuru-nandana — o geliefd kind van de Kuru’s; bahu-śākhāḥ — verschillende takken hebbend; hi — zeker; anantāḥ — oneindig; ca — ook; buddhayaḥ — intelligentie; avyavasāyinām — van hen die zich niet in Kṛṣṇa-bewustzijn bevinden.

Vertaling:
Zij die zich op dit pad bevinden zijn vastberaden en richten zich op één doel. Maar de intelligentie van hen die aarzelen, O geliefd kind van de Kuru’s, is wijdvertakt.

Uileg:
De vaste overtuiging dat men door Kṛṣṇa-bewustzijn verheven zal worden tot de hoogste volmaaktheid van het leven wordt vyavasāyātmikā-intelligentie genoemd. In het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.62) staat:

śraddhā’-śabde —– viśvāsa kahe sudṛḍha niścaya
kṛṣṇe bhakti kaile sarva-karma kṛta haya

Geloof betekent een onwankelbaar vertrouwen hebben in iets verhevens. Wie zijn plichten in Kṛṣṇa-bewustzijn vervuld, hoeft zich niet meer bezig te houden met de verplichtingen van de materiële wereld wat betreft familietradities, samenleving of nationaliteit. Het karma voor goede en slechte daden zorgt ervoor dat men zich met resultaatgerichte activiteiten bezighoudt. Wie Kṛṣṇa-bewust is, hoeft zich niet langer in te zetten voor de goede resultaten van zijn activiteiten. Wanneer men verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn, bevinden alle activiteiten zich op het absolute niveau, omdat ze niet langer onderworpen zijn aan dualiteiten zoals goed en kwaad. De hoogste volmaaktheid in Kṛṣṇa-bewustzijn is onthechting van de materialistische levensopvatting. Deze toestand wordt vanzelf bereikt door vooruitgang te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn.

De vastberadenheid van een persoon in Kṛṣṇa-bewustzijn is gebaseerd op kennis. Vāsudevaḥ sarvam iti sa mahātmā su-durlabhaḥ: een Kṛṣṇa-bewust persoon is die zeldzame, goede ziel die de perfecte kennis heeft dat Vāsudeva, Kṛṣṇa, de wortel van alle gemanifesteerde oorzaken is. Zoals men door water op de wortels van een boom te gieten vanzelf ook de bladeren en de takken van water voorziet, zo kan men door Kṛṣṇa-bewust te handelen de grootste dienst bewijzen aan iedereen, namelijk aan zichzelf, familie, samenleving, land, mensheid enz. Als Kṛṣṇa tevreden is met onze activiteiten, dan zal iedereen tevreden zijn.

Devotionele dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn kan het best beoefend worden onder de bekwame begeleiding van een spiritueel leraar die een bonafide vertegenwoordiger is van Kṛṣṇa en die de aard van de student kent en hem in zijn Kṛṣṇa-bewuste activiteiten kan begeleiden. Om vertrouwd te raken met het Kṛṣṇa-bewustzijn is het noodzakelijk standvastig te werk te gaan, de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa te gehoorzamen en de instructie van een bonafide spiritueel leraar te aanvaarden als het doel van het leven. In zijn beroemde gebeden aan de spiritueel leraar geeft Śrīla Viśvanātha Cakravartī Ṭhākura ons de volgende instructie:

yasya prasādād bhagavat-prasādo
yasyāprasādān na gatiḥ kuto ’pi
dhyāyan stuvaṁs tasya yaśas tri-sandhyaṁ
vande guroḥ śrī-caraṇāravindam

‘Door de spiritueel leraar tevreden te stellen, wordt ook de Allerhoogste Persoon-lijkheid Gods tevredengesteld. Maar als men de spiritueel leraar niet tevredenstelt, dan is het onmogelijk om op het niveau van Kṛṣṇa-bewustzijn te komen. Daarom moet ik drie keer per dag op mijn spiritueel leraar mediteren en voor zijn genade bidden en moet ik mijn spiritueel leraar mijn respectvolle eerbetuigingen brengen.’

Het hele proces hangt echter af van de volmaakte kennis dat de ziel een bestaan heeft los van de lichamelijke levensopvatting — niet alleen theoretisch, maar ook praktisch, wanneer er geen kans meer bestaat op zinsbevrediging die tot uiting komt in resultaatgerichte activiteiten. Wie niet vastberaden van geest is, zal door verschillende soorten resultaatgerichte activiteiten worden afgeleid.

Wat is de betekenis van de uitdrukking pratyavayah na vidyate in vers 40 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


pratyavāyaḥ — vermindering; na — nooit; vidyate — er is;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 40:
nehābhikrama-nāśo ’sti, pratyavāyo na vidyate
sv-alpam apy asya dharmasya, trāyate mahato bhayāt

Woord-voor-woord-vertalingen:
na — er is niet; iha — in deze yoga; abhikrama — tijdens het streven; nāśaḥ — verlies; asti — er is; pratyavāyaḥ — vermindering; na — nooit; vidyate — er is; su-alpam — een klein beetje; api — hoewel; asya — van deze; dharmasya — bezigheid; trāyate — bevrijdt; mahataḥ — van heel groot; bhayāt — gevaar.

Vertaling:
Dit streven kent geen verlies noch vermindering en een kleine vooruitgang op dit pad kan iemand voor het grootste gevaar behoeden.

Uitleg:
Actief zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn of druk bezig zijn voor het plezier van Kṛṣṇa zonder er enige zinsbevrediging voor terug te verwachten, is activiteit van de hoogste transcendentale kwaliteit. Wie zelfs maar een klein begin maakt met zulke activiteit, zal geen belemmering tegenkomen en dat kleine begin kan nooit verloren gaan. Op het materiële vlak moeten alle activiteiten die eenmaal begonnen zijn, worden afgemaakt, anders lopen ze op niets uit. Maar in Kṛṣṇa-bewustzijn heeft elke activiteit waaraan men begint een blijvend effect, ook al is ze onvoltooid. Wie zulke activiteiten verricht, verliest dus niets, ook al is zijn activiteit in Kṛṣṇa-bewustzijn onvolledig. Als men één procent heeft gedaan in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan heeft dat een blijvend effect, zodat het volgende begin vanaf twee procent zal zijn, maar bij materiële activiteiten is er geen sprake van winst als ze niet voor honderd procent voltooid worden. Ajāmila had zijn plicht voor een bepaald percentage in Kṛṣṇa-bewustzijn volbracht, maar door de genade van de Heer was zijn eindresultaat honderd procent. In verband hiermee is er een mooi vers in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.5.17):

tyaktvā sva-dharmaṁ caraṇāmbujaṁ harer
bhajann apakvo ’tha patet tato yadi
yatra kva vābhadram abhūd amuṣya kiṁ
ko vārtha āpto ’bhajatāṁ sva-dharmataḥ

‘Als iemand zijn voorgeschreven activiteiten opgeeft en handelt in Kṛṣṇa-bewust-zijn, maar dan ten val komt doordat hij zijn werk niet voltooid heeft, wat heeft hij dan verloren? En wat wint men als men zijn materiële werkzaamheden perfect uitvoert?’ Of zoals de christenen zeggen: ‘Wat baat het de mens zo hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn eeuwige ziel?’

Materiële activiteiten en hun resultaten eindigen samen met het lichaam. Maar activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn brengen iemand opnieuw tot Kṛṣṇa-bewustzijn, zelfs na het verlies van het lichaam. In ieder geval is het zeker dat men een goede kans heeft om in een volgend leven als mens geboren te worden. Zo’n geboorte kan plaatsvinden in een familie van zeer beschaafde brāhmaṇa’s of in een rijke aristocratische familie en geeft iemand de kans om verder vooruitgang te maken. Dat is de unieke aard van activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn.

Wat is de betekenis van de uitdrukking svarga-dvaram apavrtam in vers 32 in hoofdstuk 2 van Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


svarga — van de hemelse planeten; dvāram — deur; apāvṛtam — wijd open;

TEXT 32
yadṛcchayā copapannaṁ, svarga-dvāram apāvṛtam
sukhinaḥ kṣatriyāḥ pārtha, labhante yuddham īdṛśam

Woord-voor-woord-vertalingen:
yadṛcchayā — vanzelf; ca — en; upapannam — aangekomen; svarga — van de hemelse planeten; dvāram — deur; apāvṛtam — wijd open; sukhinaḥ — heel gelukkig; kṣatriyāḥ — de leden van de koninklijke orde; pārtha — o zoon van Pṛthā; labhante — bereiken zeker; yuddham — oorlog; īdṛśam — zoals deze.

Vertaling:
O Pārtha, fortuinlijk zijn de kṣatriya’s aan wie zich zulke gelegenheden om te strijden voordoen zonder dat ze daarnaar op zoek waren, want de deuren van de hemelse planeten gaan zo voor hen open.

Uitleg:
Als de allerhoogste leraar van de wereld verwerpt Kṛṣṇa het standpunt van Arjuna, die zei: ‘Ik zie geen enkel heil in dit gevecht. Het zal alleen een eeuwig verblijf in de hel opleveren.’ Zulke beweringen van Arjuna waren alleen te wijten aan onwetendheid. Tijdens het vervullen van zijn specifieke plicht wilde hij geweldloos worden. Dat een kṣatriya op het slagveld geweldloos wordt, is een filosofie van dwazen. In de Parāśara-smṛti, de religieuze voorschriften opgesteld door de grote wijze Parāśara, de vader van Vyāsadeva, wordt gezegd:
kṣatriyo hi prajā rakṣan, śastra-pāṇiḥ pradaṇḍayan
nirjitya para-sainyādi, kṣitiṁ dharmeṇa pālayet
‘De kṣatriya heeft de plicht de burgers te beschermen tegen allerlei moeilijkheden en om die reden moet hij in de juiste gevallen geweld toepassen om de orde te handhaven. Hij moet daarom de soldaten van vijandige koningen verslaan en dan volgens religieuze principes over de wereld regeren.’ Alles welbeschouwd had Arjuna geen reden om zich uit de strijd terug te trekken. Als hij zijn vijanden zou verslaan, zou hij van het koninkrijk kunnen genieten en mocht hij sneuvelen in de strijd, dan zou hij verheven worden naar de hemelse planeten, waar de deuren wijd voor hem openstonden. In beide gevallen was het in zijn voordeel de strijd aan te gaan.

Wat wordt bedoeld met sva-dharma en wat zijn de twee soorten sva-dharma?


In Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, hoofdstuk 2, Vers 31, het laatste deel van de uitleg, zegt Srila Prabhupada:

Er bestaan twee soorten sva-dharma’s of specifieke plichten. Zolang men nog niet bevrijd is, moet men, in overeenstemming met de religieuze principes, de plichten vervullen die bij zijn bepaalde lichaam horen om bevrijding te bereiken. Is men eenmaal bevrijd, dan is het sva-dharma, de specifieke plicht, spiritueel en niet meer onderhevig aan een materiële en lichamelijke levensopvatting. Binnen een lichamelijke levensopvatting zijn er verschillende plichten voor de brāhmaṇa’s en de kṣatriya’s en zulke plichten zijn onvermijdelijk. Ieders sva-dharma wordt door de Heer voorgeschreven; dit zal in het vierde hoofdstuk worden verduidelijkt. Op het lichamelijk niveau wordt sva-dharma aangeduid met varṇāśrama-dharma of de springplank voor de mens om tot spirituele bewustwording te komen. Van menselijke samenleving is sprake vanaf het niveau van varṇāśrama-dharma of de specifieke plichten overeenkomstig de specifieke hoedanigheden van de natuur die bij het lichaam horen dat men gekregen heeft. Wie binnen welk type activiteiten dan ook zijn specifieke plicht vervult in overeenstemming met de instructies van hogere autoriteiten, zal daardoor tot een hoger bestaansniveau worden verheven.

vrijdag 31 mei 2019

De waarde van het menselijk leven begrijpen

Door:
Chanchalapathi Dasa, Bangalore citerend uit Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Srila Prabhupada's Srimad Bhagavatam Canto 1 - Hoofdstuk 18
VERS 47
apāpeṣu sva-bhṛtyeṣu
bālenāpakva-buddhinā
pāpaṁ kṛtaṁ tad bhagavān
sarvātmā kṣantum arhati
VERTALING
Toen bad de rishi tot de alles doordringende Persoonlijkheid van God om gratie te verlenen aan zijn onvolwassen jongen, die geen intelligentie had en die de grote zonde beging van het vervloeken van een persoon die volledig vrij was van alle zonden, die ondergeschikt was en die het verdiende beschermd te worden.

COMMENTAAR
Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen actie, zowel vroom als zondig. Rishi Samika kon voorzien dat zijn zoon een grote zonde had begaan door Maharaja Parikshit te vervloeken, die het verdiende beschermd te worden door de brahmana's, want hij was een vrome heerser en volledig vrij van alle zonden omdat hij een eersteklas toegewijde van de Heer was. Wanneer een toegewijde van de Heer wordt beledigd, is het erg moeilijk om de reactie te overwinnen. De brahmana's, die aan het hoofd staan ​​van de sociale ordes, zijn bedoeld om hun ondergeschikten te beschermen en niet om ze te vervloeken. Er zijn gelegenheden dat een brahmana verwoed een ondergeschikte kshatriya of vaishya, enz., kan vervloeken, maar in het geval van Maharaja Parikshit waren er geen redenen, zoals al is uitgelegd. De dwaze jongen had het uit pure ijdelheid gedaan om een ​​brahmana's zoon te zijn, en daardoor raakte hij gestraft door de wet van God. De Heer vergeeft een persoon nooit die zijn zuivere toegewijde veroordeelt. Daarom had de dwaze Sringi, door een koning te vervloeken, niet alleen een zonde begaan, maar ook de grootste overtreding. Daarom kon de rishi voorzien dat alleen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn zoon kon redden van zijn zondige daad. Daarom bad hij rechtstreeks om vergeving van de Allerhoogste Heer, die als enige een ding ongedaan kan maken dat onmogelijk te veranderen is. De oproep was gedaan in de naam van een dwaze jongen die helemaal geen intelligentie had ontwikkeld.
In dit verband kan de vraag gesteld worden dat, aangezien het de wens van de Heer was dat Parikshit Maharaja in die ongemakkelijke positie gebracht zou worden zodat hij bevrijd zou worden van het materiële bestaan, waarom werd dan een zoon van een brahmana verantwoordelijk gesteld voor deze offensieve handeling? Het antwoord is dat de aanstootgevende daad alleen door een kind werd uitgevoerd, zodat hij gemakkelijk kon worden verontschuldigd, en dus werd het gebed van de vader aanvaard. Maar als de vraag gesteld wordt waarom de brahmana gemeenschap als geheel verantwoordelijk werd gehouden voor het toelaten van Kali in de wereldzaken, wordt het antwoord gegeven in de Varaha Purana dat de demonen die vijandig handelden ten opzichte van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods maar niet door de Heer werden gedood, in de families van brahmana's geboren mochten worden om te profiteren van de tijdperk van Kali. De barmhartige Heer gaf hun een kans om hun geboorten te laten plaatsvinden in de families van vrome brahmana's zodat ze konden evolueren naar de zaligheid. Maar in plaats van de goede gelegenheid gebruiken te maken, misbruikten de demonen, de brahmaanse cultuur omdat ze opgeblazen waren door ijdelheid om brahmana's te worden. Het typische voorbeeld is de zoon van Samika Rishi, en alle dwaze zonen van brahmana's worden hierbij gewaarschuwd niet zo dwaas te worden als Sringi en altijd op hun hoede te zijn voor de demonische eigenschappen die zij in hun vorige geboorten hadden. De dwaze jongen was natuurlijk verontschuldigd door de Heer, maar anderen, die misschien geen vader als Samika Rishi hebben, zullen in grote moeilijkheden komen als ze de voordelen van de geboorte in een brahmana-familie misbruiken.
*******

Hier zien we de reactie van Samika Rishi op de schaamteloze daad van zijn zoon in het vervloeken van Maharaj Parikshit. In deze verzen is een van de dingen die naar voren komen het gevoel van plicht dat Samika Rishi voelt. Hij analyseert wat zijn zoon heeft gedaan en zegt vervolgens, door de beëindiging van de monarchale regimes en het plunderen van de rijkdom van mensen door boeven en dieven, worden mensen gedood en gewond en dieren en vrouwen zullen worden ontvoerd en voor al deze zonden, zullen wij verantwoordelijk zijn.
Dus we zien deze brahmana's, het is niet dat ze altijd werden gerespecteerd, maar ze waren ook erg verantwoordelijk. In feite, zoals we het hebben over de verschillen tussen de mens en de dieren, hebben de mensen een ontwikkeld geweten en daarmee het verantwoordelijkheidsgevoel. Maar dat gevoel van verantwoordelijkheid hangt ook af van de spirituele verlichting van de ziel. De ziel is zijn ware aard vergeten en is in een diepe slaap gegaan en Krishna-bewustzijn is een proces dat de ziel wakker maakt. Hoe meer we ontwaakt zijn, hoe meer we het gevoel van spirituele verantwoordelijkheid zullen hebben.

Soms blijven toegewijden een tijdje in de tempel en dan gebeurt er iets verbijsterends en dan gaan ze weg. Er zijn andere toegewijden die moeilijkheden doormaken in het leven, maar nooit hun gevoel van spirituele verantwoordelijkheid opgeven. Er zijn gevallen waarin toegewijden lid worden van de tempel, de ouders erg overstuur raken en hun zoon met geweld wegnemen en drugs toedienen, om ze te laten veranderen en sommige van deze medicijnen zijn erg krachtig, ze slapen een paar dagen en dan worden ze langzaam wakker en waarbij ze hem verschillende soorten behandelingen geven, denkend dat hun zoon gek geworden is. Maar dan zijn we een paar gevallen tegengekomen wanneer het effect van het medicijn verslijt en ze opnieuw opstaan en zeggen: ik wil een toegewijde zijn. Dat is omdat als de ziel eenmaal gewekt is, hij zich bewust zal worden van zijn spirituele verantwoordelijkheid. Terwijl toegewijden soms, wanneer er problemen in hun spirituele leven komen, hun spirituele verantwoordelijkheden heel gemakkelijk opgeven. Dit komt door de mate van gradatie van ontwaking van de ziel.

donderdag 18 april 2019

Wat is de betekenis van de zin ksudram hrdaya-daurbalya in vers 3 van hoofdstuk 2 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


kṣudram - heel weinig; hṛdaya-hart; daurbalyam-zwakte;

Het kleine beetje zwakte die opkomt in het hart voor respectabele Bhīṣma en zijn familieleden. Dit is een grootmoedige houding. Maar Kṛṣṇa vond dat dit soort grootmoedigheid niet goedgekeurd is door de autoriteit. Daarom moet dergelijke grootmoedigheid of zogenaamde geweldloosheid worden opgegeven door personen zoals Arjuna onder de directe leiding van Kṛṣṇa.


Ook had Arjuna te maken met de 6 soorten aanvallers: Wat zijn de zes soorten aanvallers?

Wat zijn de zes symptomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Bhagavan Krishna in het Nederlands of Sanskriet?


Bhagavān betekent degene die deze zes rijkdommen volledig bezit: alle rijkdom, alle kracht, alle invloed, alle kennis, alle schoonheid, alle verzaking. "Dus, er is geanalyseerd hoe we al deze weelde bezitten, en het is gevonden door de grote wijzen dat Kṛṣṇa de bezitter is van alle vormen van rijkdom - alle schoonheid, alle wijsheid. Īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ (BS 5,1) De allerhoogste bezitter is Kṛṣṇa Sac-cid-ānanda-vigrahaḥ, anādir ādir govindaḥ sarva-kāraṇa-kāraṇam (Bs. 5.1).

Sad-aiśvarya-pūrṇa: vol met zes weelde, uit Viṣṇu Purāṇa 6.5.47:
1. rijkdom (aiśvaryasya),
2. kracht (vīryasya),
3. bekendheid/reputatie/invloed (yaśasaḥ),
4. schoonheid (śriyaḥ),
5. kennis (jñāna) en
6. verzaking (vairāgya)

Wat waren de argumenten van Arjuna om niet te vechten in de oorlog van Kurukṣetra? (1.27-2.7)


1. Compassie voor de andere kant (Hoofdstuk 1, vers 27),
2. Niet kunnen genieten na de oorlog (Hoofdstuk 1, verzen 30–35),
3. Heiligheid en angst voor zondige reacties door het doden van familie (Hoofdstuk 1, verzen 36, 43–44 en hoofdstuk 2, vers 5),
4. Vernietiging van het gezin en familie (onkuise vrouwen) (Hoofdstuk 1, verzen 37–43),
5. Twijfelachtig om te vechten (Hoofdstuk 2, verzen 6–7).

Wat zijn de progressieve stappen die leiden naar de vernietiging van een dynastie? (1.39-42)


1.Het doden van oudere leden van de familie
2.Het stoppen van verzuiveringsprocessen in de familie,
3.Ontwikkeling van niet-religieuze gewoonten (de kans op geestelijke redding verliezen) door overgebleven jongere familieleden,
4.Corruptie van vrouwen in familie,
5.De komst van ongewenste nakomelingen van degradatie van de vrouwen,
6.Creëren van een helse situatie voor de mensheid waarbij de familietraditie wordt vernietigd

Wat zijn de zes soorten aanvallers?


Volgens Vedische bevelen zijn er zes soorten aanvallers:

1) een gifgever,
2) iemand die het huis in brand steekt,
3) iemand die aanvalt met dodelijke wapens,
4) iemand die rijkdommen plundert,
5) iemand die het land van iemand anders bezet, en
6) iemand die een vrouw kidnapt.

Zulke aanvallers moeten onmiddellijk worden gedood, en geen zonde wordt opgelopen door het doden van dergelijke aanvallers. Een dergelijke moord op aanvallers past bij elke gewone man, maar Arjuna was geen gewoon persoon. Hij was heilig van karakter en daarom wilde hij hen in heiligheid 
behandelen. Dit soort heiligheid is echter niet voor een kṣatriya.


Wat is de betekenis van het woord guḍākeśa in vers 24 van hoofdstuk 1 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


Guḍāka betekent slaap, en iemand die slaap overwint wordt guḍākeśa genoemd. Slaap betekent ook onwetendheid. Dus Arjuna overwon zowel slaap als onwetendheid vanwege zijn vriendschap met Kṛṣṇa. Als grote toegewijde van Kṛṣṇa kon hij Kṛṣṇa zelfs een moment niet vergeten, omdat dat de aard van een toegewijde is. Zowel bij het ontwaken als in de slaap kan een toegewijde van de Heer nooit vrij zijn om aan Kṛṣṇa's naam, vorm, kwaliteit en spel en vermaak te denken. Dus een toegewijde van Kṛṣṇa kan zowel slaap als onwetendheid overwinnen door simpelweg voortdurend aan Kṛṣṇa te denken. Dit wordt Kṛṣṇa-bewustzijn of samādhi genoemd. Als Hṛṣīkeśa, of de leider van de zintuigen en geest van elke levende entiteit, kon Kṛṣṇa het doel van Arjuna begrijpen door de wagen midden op het slagveld, tussen de legers te plaatsen.

Wat is de betekenis van Hanuman's aanwezigheid op de vlag van Arjuna?


Het embleem van Hanuman op de vlag van Arjuna is een ander teken van overwinning, omdat Hanuman samenwerkte met Heer Rama in de strijd tussen Rama en Râvana en Heer Rama als overwinnaar tevoorschijn kwam. Nu waren zowel Rama als Hanuman aanwezig op de wagen van Arjuna om hem te helpen. Heer Kṛṣṇa is Rāma Zelf en waar Heer Rāma is, is Zijn eeuwige dienaar Hanumān en Zijn eeuwige gemalin Sītā, de godin van het geluk, aanwezig. Daarom had Arjuna geen enkele reden om enige vijanden te vrezen. En bovenal was de Heer van de zinnen, Heer Kṛṣṇa, persoonlijk aanwezig om hem advies te geven. Dus, alle goede raad was beschikbaar voor Arjuna in de kwestie van het uitvoeren van de strijd. Onder zulke gunstige voorwaarden, opgesteld door de Heer voor Zijn eeuwige toegewijde, liggen de tekenen van een gegarandeerde overwinning.

Wat zijn de vier tekenen van overwinning voor de Pandava's?


  1. Het klinken van transcendentale schelphoorns wees erop dat er geen hoop op overwinning was voor de andere kant omdat Krsna aan de kant van de Pandava's stond.
  2. Wanneer en waar de Heer ook is, de Godin van het Geluk is er ook met haar echtgenoot. Dit zijn tekenen: overwinning en fortuinlijkheid.
  3. De strijdwagen waarop beiden zaten, was geschonken door Agni, dit geeft aan dat deze wagen in staat was om alle kanten te veroveren, waar deze ook werd getrokken over de drie werelden.
  4. Het embleem van Hanuman op de vlag van Arjuna is een ander teken van overwinning

Waarom was Duryodhana zeker van volledige steun van Bhismadeva en Drona?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 1, TEXT 11:
ayaneṣu ca sarveṣu, yathā-bhāgam avasthitāḥ
bhīṣmam evābhirakṣantu, bhavantaḥ sarva eva hi

Woord-voor-woord-vertalingen:
ayaneṣu — in strategische posities; ca — ook; sarveṣu — overal; yathā-bhā-gam — zoals verschillend opgesteld; avasthitāḥ — geplaatst; bhiṣmam — aan Grootvader Bhīṣma; eva — zeker; abhirakṣantu — moeten dekking geven; bhavantaḥ — jullie; sarve — allemaal respectievelijk; eva hi — zeker.

Vertaling:
Jullie moeten Grootvader Bhīṣma nu allemaal volledige dekking geven, ieder vanuit zijn eigen strategische positie om door te dringen in de slagorde van de vijand.

Uitleg:
Nadat hij Bhīṣma’s moed en bekwaamheid geprezen had, bedacht Duryodhana dat de anderen misschien zouden denken dat ze minder belangrijk werden gevonden; daarom probeerde hij op zijn gebruikelijke diplomatieke manier de situatie met de bovenstaande woorden te manipuleren. Hij benadrukte dat Bhīṣmadeva ongetwijfeld de grootste held was, maar dat hij daarnaast ook een oude man was en dat iedereen er daarom aan moest denken om hem van alle kanten te beschermen. Als Bhīṣma betrokken zou raken in de strijd en zich maar op īīn plaats zou concentreren, dan zou de vijand daar zijn voordeel mee kunnen doen. Het was daarom van belang dat de andere helden hun strategische posities niet zouden verlaten, omdat de vijand anders zou kunnen doordringen in de gevechtsformatie. Duryodhana voelde duidelijk dat de overwinning van de Kuru’s afhing van de aanwezigheid van Bhīṣmadeva. Hij was er zeker van dat Bhīṣmadeva en Droṇācārya hem volledig zouden steunen in de strijd, want hij herinnerde zich nog heel goed dat zij geen woord hadden gesproken toen de vrouw van Arjuna, Draupadī, hen in een hulpeloze positie had gesmeekt haar recht te doen toen ze gedwongen werd naakt te verschijnen voor alle generaals die tijdens de samenkomst aanwezig waren. Hoewel hij wist dat de twee generaals een zekere genegenheid voor de Pāṇḍava’s hadden, hoopte hij niettemin dat deze generaals die genegenheid nu volledig zouden opgeven, zoals zij tijdens het gokspel hadden gedaan.

Maak een lijst van de geloften die Bhima na de gokwedstrijd heeft afgelegd. (1,4)


Breek Duryodhana's dijen en scheur Dusasans op de borst en drink zijn bloed

Wat is de betekenis van Duryodhana's uitspraak dhīmatā, tava śiṣyeṇa in vers 3 van hoofdstuk 1 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


Drona, omdat hij een goede brahmana was, accepteerde zelfs zijn vijand als zijn student. Deze student staat nu voor hem en regelt het leger van Drona's vijand. Duryodhana wilde bij Drona erop wijzen dat dit een vergissing is en dat hij mogelijk compromisloos is in de gevechten. Ook bij het ontmoeten van de pandava's in de strijd, vooral Arjuna, mag Drona ook compromisloos zijn, omdat hij zijn zeer intelligente discipel is. (Tava-je; śiṣyeṇa-discipel; dhīmatā-zeer intelligent.)

Hoe kon Sañjaya het slagveld van Kurukṣetra zien?


Hij was een student van Srila Vyāsadeva en door Zijn genade kon hij zich het slagveld van Kurukṣetra voorstellen terwijl hij in de kamer van Dhṛtarāṣṭra was

Waarom vraagt Dhṛtarāṣṭra aan Sañjaya, wat zijn zonen en de zonen van Pāṇḍu deden, na het samenkomen op de pelgrimsoord bij Kurukṣetra, verlangend om te vechten?


Omdat hij zeer twijfelachtig was of zijn zoons uiteindelijk de overwinning zouden verkrijgen. In zijn twijfel vroeg hij aan zijn secretaris Sañjaya: "Wat hebben mijn zonen en de zonen van Pāṇḍu gedaan?" Hij was ervan overtuigd dat zowel zijn zonen als de zonen van zijn jongere broer Pāṇḍu zich op dat veld van Kurukṣetra hadden verzameld voor een vastberaden oorlog. Toch is zijn vraag belangrijk. Hij wilde geen compromis tussen de neven en broers en hij wilde zeker zijn van het lot van zijn zonen op het slagveld. Omdat de strijd geregeld was om te worden gevochten tegen Kurukṣetra, die elders in de Veda's wordt genoemd als een plaats van aanbidding - zelfs voor de bewoners van de hemel - werd Dhṛtarāṣṭra erg angstig over de invloed van de heilige plaats op de uitkomst van de strijd. Hij wist heel goed dat dit Arjuna en de zonen van Pāṇḍu gunstig zou beïnvloeden, omdat ze van nature allemaal deugdzaam waren. Sañjaya was een student van Vyāsa en daarom was Sañjaya, door de genade van Vyāsa, in staat om het slagveld van Kurukṣetra te aanschouwen, zelfs terwijl hij in de kamer van Dhṛtarāṣṭra was. En dus vroeg Dhṛtarāṣṭra hem naar de situatie op het slagveld.

Zowel de Pāṇḍava's als de zonen van Dhṛtarāṣṭra behoren tot dezelfde familie, maar de denkwijze van Dhṛtarāṣṭra wordt hierin beschreven. Hij beweerde opzettelijk alleen zijn zonen als Kuru's, en hij scheidde de zonen van Pāṇḍu van het familie-erfgoed. Men kan dus de specifieke positie van Dhṛtarāṣṭra begrijpen in zijn relatie met zijn neven, de zonen van Pāṇḍu.

Dhṛtarāṣṭra was de oudste zoon van de Kuru-dynastie, maar hij was blind, dit is een lichamelijk gebrek. Daarom kreeg hij de troon niet toegewezen. Zijn volgende broer, Pāṇḍu, kreeg de troon aangeboden, maar hij stierf op zeer jonge leeftijd, als een jonge man. Toen deze zonen van Pāṇḍu, de vijf zonen, Yudhiṣṭhira Mahārāja, in die tijd nog geen Mahārāja, Yudhiṣṭhira, Bhīma, Arjuna, Nakula, Sahadeva, kleine kinderen waren, werden ze opgevangen door Dhṛtarāṣṭra en andere oudere familieleden zoals Bhīṣmadeva. Hij was de grootvader van de Pāṇḍava's. Bhīṣma was de oudere broer van de vader van Dhṛtarāṣṭra. Hij was zo oud. Eigenlijk behoorde het koninkrijk toe aan Bhīṣma, maar hij bleef een brahmacārī, hij trouwde niet. Er was geen opvolger van Bhīṣmadeva. Daarom waren zijn neven, Dhṛtarāṣṭra en Pāṇḍu, erfgenaam.

Nu, na de dood van Pāṇḍu, was er een samenzwering. Dhṛtarāṣṭra dacht: "Dit is mijn koninkrijk, nu, op de een of andere manier, kon ik het niet krijgen." Nu is mijn broer dood, dus als ik het niet erf, waarom dan niet mijn zonen? " Dit wordt politiek genoemd. Afgunst en jaloezie vinden we altijd in de politiek. Dit is de aard van deze materiële wereld. Je kunt er niet omheen. Spirituele wereld betekent precies het tegenovergestelde. Er is geen politiek. Er is geen jaloezie. Er is geen afgunst. Dat is een spirituele wereld. En materiële wereld betekent politiek, jaloezie, diplomatie, afgunst, zoveel dingen. Dit is de materiële wereld. Dus zelfs in de hemelse planeten zijn deze dingen daar, politiek. Zelfs in het dierenrijk is deze politiek er. Dit is de natuur. Matsaratā. Matsaratā betekent afgunst. Een mens is jaloers op een andere mens. Het doet er niet toe, ook niet voor broeders of familieleden zoals Dhṛtarāṣṭra en Pāṇḍu.