Posts tonen met het label vedanta. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vedanta. Alle posts tonen

woensdag 31 juli 2019

Wat is de betekenis van de uitdrukking param drstva nivartate in vers 59 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?

param — veel betere dingen; dṛṣṭvā — door te ervaren; nivartate — hij houdt op met.

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 59:
viṣayā vinivartante, nirāhārasya dehinaḥ
rasa-varjaṁ raso ’py asya, paraṁ dṛṣṭvā nivartate

Woord-voor-woord-vertalingen:
viṣayāḥ — objecten voor zinnelijk genot; vinivartante — worden geoefend om af te zien van; nirāhārasya — door negatieve beperkingen; dehinaḥ — voor de belichaamde; rasa-varjam — de smaak opgevend; rasaḥ — besef van genot; api — hoewel er is; asya — zijn; param — veel betere dingen; dṛṣṭvā — door te ervaren; nivartate — hij houdt op met.

Vertaling:
Hoewel de belichaamde ziel van zinnelijk genot weerhouden kan worden, blijft de smaak voor zinsobjecten bestaan. Maar wanneer ze zulke bezigheden opgeeft omdat ze een hogere smaak ervaart, is ze onwankelbaar in haar bewustzijn.

Uitleg:
Tenzij men zich op een transcendentaal niveau bevindt, is het onmogelijk om zinsbevrediging op te geven. Het proces van het beperken van zinsbevrediging door regels en bepalingen is te vergelijken met het ontzeggen van bepaalde voeding aan een zieke. Zo’n patiënt zal zeker niet blij zijn met zulke beperkingen en zal ook zijn smaak voor die bepaalde voeding niet verliezen. Op dezelfde manier wordt minder intelligente mensen, die ontoereikende kennis hebben, aangeraden de zintuigen te beperken door een spiritueel proces als aṣṭāṅga-yoga (yama, niyama, āsana, prāṇāyāma, pratyāhāra, dhāraṇā, dhyāna en samādhi). Maar wie tijdens zijn vorderingen in Kṛṣṇa-bewustzijn de schoonheid van de Allerhoogste Heer Kṛṣṇa heeft ervaren, heeft geen smaak meer voor dode, materiële dingen. De beperkingen zijn er daarom voor de minder intelligente nieuwelingen in het spirituele leven; maar die beperkingen zijn alleen goed totdat iemand werkelijk smaak heeft voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Wanneer iemand werkelijk Kṛṣṇa-bewust is, verliest hij vanzelf alle smaak voor minderwaardige dingen.

Wanneer kan een goedgeklede dwaas worden geïdentificeerd?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 54:
arjuna uvāca
sthita-prajñasya kā bhāṣā, samādhi-sthasya keśava
sthita-dhīḥ kiṁ prabhāṣeta, kim āsīta vrajeta kim

Woord-voor-woord-vertalingen:
arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; sthita-prajñasya — van iemand die onwankelbaar is in standvastig Kṛṣṇa-bewustzijn; kā — wat; bhāṣā — taal; samādhi-sthasya — van iemand in een toestand van diepe meditatie (samādhi); keśava — o Kṛṣṇa; sthita-dhīḥ — iemand die verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn; kim — wat; prabhāṣeta — spreekt; kim — hoe; āsīta — stil blijven zitten; vrajeta — loopt; kim — hoe.

Vertaling:
Arjuna zei: O Kṛṣṇa, wat zijn de kenmerken van iemand van wie het bewustzijn op die manier van het transcendentale vervuld is? Hoe spreekt hij en wat is zijn taalgebruik? Hoe zit hij en hoe loopt hij?

Uitleg:
Net zoals er voor ieder mens kenmerken zijn in overeenstemming met de bepaalde situatie waarin hij zich bevindt, zo heeft ook een Kṛṣṇa-bewust persoon zijn bepaalde manier van spreken, lopen, denken, voelen enz. Zoals een rijke bepaalde kenmerken bezit waardoor hij als een rijk man bekendstaat, zoals een zieke bepaalde symptomen heeft waaruit blijkt dat hij ziek is of zoals een geleerde zo zijn kenmerken heeft, zo vertoont ook iemand in transcendentaal Kṛṣṇa-bewustzijn zijn specifieke gedragskenmerken. Deze specifieke kenmerken kan men in de Bhagavad-gītā vinden. Het belangrijkste is hoe een Kṛṣṇa-bewust persoon spreekt, want spraak is iemands belangrijkste eigenschap. Er wordt gezegd dat een dwaas onherkenbaar blijft zolang hij niet spreekt en het is zeker zo dat een goedgeklede dwaas niet herkend wordt zolang hij zwijgt, maar zodra hij begint te spreken, laat hij zich meteen kennen. Het directe kenmerk van een Kṛṣṇa-bewust persoon is dat hij alleen over Kṛṣṇa praat en over dingen die met Hem in verband staan.

Wat is de betekenis van het woord prajna in vers 54 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


prajña — Kṛṣṇa-bewustzijn welke het hoogste en puurste wetenschap is;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 54:
arjuna uvāca
sthita-prajñasya kā bhāṣā, samādhi-sthasya keśava
sthita-dhīḥ kiṁ prabhāṣeta, kim āsīta vrajeta kim

Woord-voor-woord-vertalingen:
arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; sthita-prajñasya — van iemand die onwankelbaar is in standvastig Kṛṣṇa-bewustzijn; kā — wat; bhāṣā — taal; samādhi-sthasya — van iemand in een toestand van diepe meditatie (samādhi); keśava — o Kṛṣṇa; sthita-dhīḥ — iemand die verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn; kim — wat; prabhāṣeta — spreekt; kim — hoe; āsīta — stil blijven zitten; vrajeta — loopt; kim — hoe.

Vertaling:
Arjuna zei: O Kṛṣṇa, wat zijn de kenmerken van iemand van wie het bewustzijn op die manier van het transcendentale vervuld is? Hoe spreekt hij en wat is zijn taalgebruik? Hoe zit hij en hoe loopt hij?

Uitleg:
Net zoals er voor ieder mens kenmerken zijn in overeenstemming met de bepaalde situatie waarin hij zich bevindt, zo heeft ook een Kṛṣṇa-bewust persoon zijn bepaalde manier van spreken, lopen, denken, voelen enz. Zoals een rijke bepaalde kenmerken bezit waardoor hij als een rijk man bekendstaat, zoals een zieke bepaalde symptomen heeft waaruit blijkt dat hij ziek is of zoals een geleerde zo zijn kenmerken heeft, zo vertoont ook iemand in transcendentaal Kṛṣṇa-bewustzijn zijn specifieke gedragskenmerken. Deze specifieke kenmerken kan men in de Bhagavad-gītā vinden. Het belangrijkste is hoe een Kṛṣṇa-bewust persoon spreekt, want spraak is iemands belangrijkste eigenschap. Er wordt gezegd dat een dwaas onherkenbaar blijft zolang hij niet spreekt en het is zeker zo dat een goedgeklede dwaas niet herkend wordt zolang hij zwijgt, maar zodra hij begint te spreken, laat hij zich meteen kennen. Het directe kenmerk van een Kṛṣṇa-bewust persoon is dat hij alleen over Kṛṣṇa praat en over dingen die met Hem in verband staan. Andere kenmerken volgen dan vanzelf, wat hieronder duidelijk zal worden.

Wat is het onderwerp dat door de Veda's wordt behandeld?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 45:
trai-guṇya-viṣayā vedā, nistrai-guṇyo bhavārjuna
 nirdvandvo nitya-sattva-stho, niryoga-kṣema ātmavān

Woord-voor-woord-vertalingen:
trai-guṇya — betrekking hebbend op de drie hoedanigheden van de materiële natuur; viṣayāḥ — op het onderwerp; vedāḥ — Vedische literatuur; nistrai-guṇyaḥ — ontstegen aan de drie hoedanigheden van de materiële natuur; bhava — wees; arjuna — o Arjuna; nirdvandvaḥ — zonder dualiteit; nitya-sattva-sthaḥ — in een zuivere toestand van spiritueel bestaan; niryoga-kṣemaḥ — vrij van gedachten aan winst en bescherming; ātma-vān — verankerd in het zelf.

Vertaling:
De Veda’s spreken vooral over de drie hoedanigheden van de materiële natuur. O Arjuna, ontstijg aan deze drie hoedanigheden. Raak bevrijd van alle dualiteiten en van alle bezorgdheid om winst of veiligheid en wees verankerd in het zelf.

Uitleg:
Alle materiële activiteiten brengen onder invloed van de drie hoedanigheden van de materiële natuur acties en reacties met zich mee. Ze zijn bedoeld voor zelfzuchtige resultaten, die gebondenheid in de materiële wereld veroorzaken. De Veda’s gaan voor het grootste gedeelte over resultaatgerichte activiteiten om het gewone volk geleidelijk aan te verheffen van het zintuiglijke vlak tot een positie op het transcendentale vlak. Als leerling en vriend van Heer Kṛṣṇa wordt Arjuna aangeraden zichzelf te verheffen tot het transcendentale niveau van de vedānta-filosofie, die begint met brahma-jijñāsā of vragen over de allerhoogste transcendentale werkelijkheid.

Alle levende wezens in de materiële wereld leveren een bittere strijd om het bestaan. Na de schepping van de materiële wereld gaf de Heer hun de Vedische wijsheid, die aanwijzingen geeft over hoe ze moeten leven om zich van de materiële verstrikking te bevrijden. Wanneer de activiteiten voor zinsbevrediging, namelijk het karma-kāṇḍa-hoofdstuk, afgerond zijn, wordt de kans op spirituele bewustwording geboden in de vorm van de upaniṣads, die deel uitmaken van verschillende Veda’s, zoals de Bhagavad-gītā deel uitmaakt van de vijfde veda, het Mahābhārata. Het spirituele leven begint pas vanaf de upaniṣads.

Zolang het materiële lichaam bestaat, zijn er acties en reacties onder invloed van de materiële hoedanigheden. Men moet verdraagzaam leren zijn wanneer dualiteiten als geluk en ellende of hitte en kou zich voordoen, en door zulke dualiteiten te verdragen moet men alle angst voor winst en verlies laten varen. Deze transcendentale positie bereikt men in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn, wanneer men totaal afhankelijk is van de welwillendheid van Kṛṣṇa.

vrijdag 31 mei 2019

Gebed tot de lotusvoeten van Krishna

door Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Prabhupada
Stichter en Enige-Acarya van de Internationale Gemeenschap voor Krishna Bewustzijn

Op 13 september 1965 schreef Srila Prabhupada het volgende gebed aan boord van het stoomschip Jaladuta op weg naar Amerika.
___________________________________________________________

Ik zeg nadrukkelijk tegen je, O broeders, dat je je geluk alleen van de Allerhoogste Heer Krsna zult krijgen als Srimati Radharani tevreden met je wordt.
Sri Srimad Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakur, die Lord Gauranga, de zoon van moeder Saci, zeer dierbaar is, is ongeëvenaard in zijn dienst aan de Allerhoogste Heer Sri Krsna. Hij is die grote heilige spirituele meester die op verschillende plaatsen in de wereld een intense toewijding aan Krsna schenkt.
Door zijn sterke verlangen zal de heilige naam van Heer Gauranga zich door alle landen van de Westerse wereld verspreiden. In alle steden, dorpen en voorsteden op aarde, uit alle oceanen, zeeën, rivieren en beken, zingt iedereen de heilige naam Krsna.
Zoals de enorme genade van Sri Caitanya Mahaprabhu alle richtingen overwint, zal een overstroming van transcendentale extase zeker het land bedekken. Wanneer alle zondige, miserabele levende wezens gelukkig worden, wordt het verlangen van de Vaisnava vervuld.
Hoewel mijn Guru Maharaja mij opdracht gaf om deze missie te volbrengen, ben ik het niet waard of geschikt om het te doen. Ik ben erg gevallen en onbeduidend. Daarom, O Heer, smeek ik nu om Uw genade zodat ik waardig kan worden, want U bent de wijste en meest ervaren van alles.
Als U Uw kracht schenkt, bereikt men door het dienen van de spiritueel leraar de Absolute Waarheid - wordt iemands leven succesvol. Als die dienst wordt verkregen, wordt men gelukkig en krijgt uw associatie ten gevolge van geluk.

evaṁ janaṁ nipatitaṁ prabhavāhi-kūpe
kāmābhikāmam anu yaḥ prapatan prasaṅgāt
kṛtvātmasāt surarṣiṇā bhagavan gṛhītaḥ
so ’haṁ kathaṁ nu visṛje tava bhṛtya-sevām
"Mijn lieve Heer, O Allerhoogste Persoonlijkheid van God, vanwege mijn omgang met materiële verlangens, de een na de ander, viel ik geleidelijk in een blinde put van slangen, de algemene bevolking volgend, maar Uw dienaar Narada Muni aanvaardde mij vriendelijk als zijn discipel en instrueerde me hoe deze transcendentale positie te bereiken is. Daarom is het mijn eerste plicht hem te dienen. Hoe kon ik zijn dienst verlaten?" (Prahlada Maharaja aan Lord Nrsimhadeva, Srimad-Bhagavatam, 7.9.28)

O Heer Krsna, U bent mijn eeuwige metgezel. Door U te vergeten, heb ik de schoppen van maya -geboorte na geboorte geleden. Als vandaag de kans om U te ontmoeten opnieuw optreedt, dan zal ik zeker in staat zijn om weer bij U te komen.
O beste vriend, in Uw gezelschap zal ik opnieuw grote vreugde ervaren. In de vroege ochtend dwaal ik af over de koeherdersweiden en velden. Rennen en stoeien in de vele wouden van Vraja, ik rol op de grond in spirituele extase. O, wanneer zal die dag de mijne zijn?
Vandaag is die herinnering aan U op een hele leuke manier naar mij gekomen. Omdat ik een groot verlangen heb, heb ik U geroepen. Ik ben Uw eeuwige dienaar en daarom wens ik Uw associatie zo graag. O Heer Krsna, behalve U is er geen ander middel van succes.

De waarde van het menselijk leven begrijpen

Door:
Chanchalapathi Dasa, Bangalore citerend uit Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Srila Prabhupada's Srimad Bhagavatam Canto 1 - Hoofdstuk 18
VERS 47
apāpeṣu sva-bhṛtyeṣu
bālenāpakva-buddhinā
pāpaṁ kṛtaṁ tad bhagavān
sarvātmā kṣantum arhati
VERTALING
Toen bad de rishi tot de alles doordringende Persoonlijkheid van God om gratie te verlenen aan zijn onvolwassen jongen, die geen intelligentie had en die de grote zonde beging van het vervloeken van een persoon die volledig vrij was van alle zonden, die ondergeschikt was en die het verdiende beschermd te worden.

COMMENTAAR
Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen actie, zowel vroom als zondig. Rishi Samika kon voorzien dat zijn zoon een grote zonde had begaan door Maharaja Parikshit te vervloeken, die het verdiende beschermd te worden door de brahmana's, want hij was een vrome heerser en volledig vrij van alle zonden omdat hij een eersteklas toegewijde van de Heer was. Wanneer een toegewijde van de Heer wordt beledigd, is het erg moeilijk om de reactie te overwinnen. De brahmana's, die aan het hoofd staan ​​van de sociale ordes, zijn bedoeld om hun ondergeschikten te beschermen en niet om ze te vervloeken. Er zijn gelegenheden dat een brahmana verwoed een ondergeschikte kshatriya of vaishya, enz., kan vervloeken, maar in het geval van Maharaja Parikshit waren er geen redenen, zoals al is uitgelegd. De dwaze jongen had het uit pure ijdelheid gedaan om een ​​brahmana's zoon te zijn, en daardoor raakte hij gestraft door de wet van God. De Heer vergeeft een persoon nooit die zijn zuivere toegewijde veroordeelt. Daarom had de dwaze Sringi, door een koning te vervloeken, niet alleen een zonde begaan, maar ook de grootste overtreding. Daarom kon de rishi voorzien dat alleen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn zoon kon redden van zijn zondige daad. Daarom bad hij rechtstreeks om vergeving van de Allerhoogste Heer, die als enige een ding ongedaan kan maken dat onmogelijk te veranderen is. De oproep was gedaan in de naam van een dwaze jongen die helemaal geen intelligentie had ontwikkeld.
In dit verband kan de vraag gesteld worden dat, aangezien het de wens van de Heer was dat Parikshit Maharaja in die ongemakkelijke positie gebracht zou worden zodat hij bevrijd zou worden van het materiële bestaan, waarom werd dan een zoon van een brahmana verantwoordelijk gesteld voor deze offensieve handeling? Het antwoord is dat de aanstootgevende daad alleen door een kind werd uitgevoerd, zodat hij gemakkelijk kon worden verontschuldigd, en dus werd het gebed van de vader aanvaard. Maar als de vraag gesteld wordt waarom de brahmana gemeenschap als geheel verantwoordelijk werd gehouden voor het toelaten van Kali in de wereldzaken, wordt het antwoord gegeven in de Varaha Purana dat de demonen die vijandig handelden ten opzichte van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods maar niet door de Heer werden gedood, in de families van brahmana's geboren mochten worden om te profiteren van de tijdperk van Kali. De barmhartige Heer gaf hun een kans om hun geboorten te laten plaatsvinden in de families van vrome brahmana's zodat ze konden evolueren naar de zaligheid. Maar in plaats van de goede gelegenheid gebruiken te maken, misbruikten de demonen, de brahmaanse cultuur omdat ze opgeblazen waren door ijdelheid om brahmana's te worden. Het typische voorbeeld is de zoon van Samika Rishi, en alle dwaze zonen van brahmana's worden hierbij gewaarschuwd niet zo dwaas te worden als Sringi en altijd op hun hoede te zijn voor de demonische eigenschappen die zij in hun vorige geboorten hadden. De dwaze jongen was natuurlijk verontschuldigd door de Heer, maar anderen, die misschien geen vader als Samika Rishi hebben, zullen in grote moeilijkheden komen als ze de voordelen van de geboorte in een brahmana-familie misbruiken.
*******

Hier zien we de reactie van Samika Rishi op de schaamteloze daad van zijn zoon in het vervloeken van Maharaj Parikshit. In deze verzen is een van de dingen die naar voren komen het gevoel van plicht dat Samika Rishi voelt. Hij analyseert wat zijn zoon heeft gedaan en zegt vervolgens, door de beëindiging van de monarchale regimes en het plunderen van de rijkdom van mensen door boeven en dieven, worden mensen gedood en gewond en dieren en vrouwen zullen worden ontvoerd en voor al deze zonden, zullen wij verantwoordelijk zijn.
Dus we zien deze brahmana's, het is niet dat ze altijd werden gerespecteerd, maar ze waren ook erg verantwoordelijk. In feite, zoals we het hebben over de verschillen tussen de mens en de dieren, hebben de mensen een ontwikkeld geweten en daarmee het verantwoordelijkheidsgevoel. Maar dat gevoel van verantwoordelijkheid hangt ook af van de spirituele verlichting van de ziel. De ziel is zijn ware aard vergeten en is in een diepe slaap gegaan en Krishna-bewustzijn is een proces dat de ziel wakker maakt. Hoe meer we ontwaakt zijn, hoe meer we het gevoel van spirituele verantwoordelijkheid zullen hebben.

Soms blijven toegewijden een tijdje in de tempel en dan gebeurt er iets verbijsterends en dan gaan ze weg. Er zijn andere toegewijden die moeilijkheden doormaken in het leven, maar nooit hun gevoel van spirituele verantwoordelijkheid opgeven. Er zijn gevallen waarin toegewijden lid worden van de tempel, de ouders erg overstuur raken en hun zoon met geweld wegnemen en drugs toedienen, om ze te laten veranderen en sommige van deze medicijnen zijn erg krachtig, ze slapen een paar dagen en dan worden ze langzaam wakker en waarbij ze hem verschillende soorten behandelingen geven, denkend dat hun zoon gek geworden is. Maar dan zijn we een paar gevallen tegengekomen wanneer het effect van het medicijn verslijt en ze opnieuw opstaan en zeggen: ik wil een toegewijde zijn. Dat is omdat als de ziel eenmaal gewekt is, hij zich bewust zal worden van zijn spirituele verantwoordelijkheid. Terwijl toegewijden soms, wanneer er problemen in hun spirituele leven komen, hun spirituele verantwoordelijkheden heel gemakkelijk opgeven. Dit komt door de mate van gradatie van ontwaking van de ziel.

donderdag 18 april 2019

Wat is de betekenis van de zin ksudram hrdaya-daurbalya in vers 3 van hoofdstuk 2 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


kṣudram - heel weinig; hṛdaya-hart; daurbalyam-zwakte;

Het kleine beetje zwakte die opkomt in het hart voor respectabele Bhīṣma en zijn familieleden. Dit is een grootmoedige houding. Maar Kṛṣṇa vond dat dit soort grootmoedigheid niet goedgekeurd is door de autoriteit. Daarom moet dergelijke grootmoedigheid of zogenaamde geweldloosheid worden opgegeven door personen zoals Arjuna onder de directe leiding van Kṛṣṇa.


Ook had Arjuna te maken met de 6 soorten aanvallers: Wat zijn de zes soorten aanvallers?

Wat zijn de zes symptomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Bhagavan Krishna in het Nederlands of Sanskriet?


Bhagavān betekent degene die deze zes rijkdommen volledig bezit: alle rijkdom, alle kracht, alle invloed, alle kennis, alle schoonheid, alle verzaking. "Dus, er is geanalyseerd hoe we al deze weelde bezitten, en het is gevonden door de grote wijzen dat Kṛṣṇa de bezitter is van alle vormen van rijkdom - alle schoonheid, alle wijsheid. Īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ (BS 5,1) De allerhoogste bezitter is Kṛṣṇa Sac-cid-ānanda-vigrahaḥ, anādir ādir govindaḥ sarva-kāraṇa-kāraṇam (Bs. 5.1).

Sad-aiśvarya-pūrṇa: vol met zes weelde, uit Viṣṇu Purāṇa 6.5.47:
1. rijkdom (aiśvaryasya),
2. kracht (vīryasya),
3. bekendheid/reputatie/invloed (yaśasaḥ),
4. schoonheid (śriyaḥ),
5. kennis (jñāna) en
6. verzaking (vairāgya)

Wat waren de argumenten van Arjuna om niet te vechten in de oorlog van Kurukṣetra? (1.27-2.7)


1. Compassie voor de andere kant (Hoofdstuk 1, vers 27),
2. Niet kunnen genieten na de oorlog (Hoofdstuk 1, verzen 30–35),
3. Heiligheid en angst voor zondige reacties door het doden van familie (Hoofdstuk 1, verzen 36, 43–44 en hoofdstuk 2, vers 5),
4. Vernietiging van het gezin en familie (onkuise vrouwen) (Hoofdstuk 1, verzen 37–43),
5. Twijfelachtig om te vechten (Hoofdstuk 2, verzen 6–7).

Wat zijn de progressieve stappen die leiden naar de vernietiging van een dynastie? (1.39-42)


1.Het doden van oudere leden van de familie
2.Het stoppen van verzuiveringsprocessen in de familie,
3.Ontwikkeling van niet-religieuze gewoonten (de kans op geestelijke redding verliezen) door overgebleven jongere familieleden,
4.Corruptie van vrouwen in familie,
5.De komst van ongewenste nakomelingen van degradatie van de vrouwen,
6.Creëren van een helse situatie voor de mensheid waarbij de familietraditie wordt vernietigd

Wat zijn de zes soorten aanvallers?


Volgens Vedische bevelen zijn er zes soorten aanvallers:

1) een gifgever,
2) iemand die het huis in brand steekt,
3) iemand die aanvalt met dodelijke wapens,
4) iemand die rijkdommen plundert,
5) iemand die het land van iemand anders bezet, en
6) iemand die een vrouw kidnapt.

Zulke aanvallers moeten onmiddellijk worden gedood, en geen zonde wordt opgelopen door het doden van dergelijke aanvallers. Een dergelijke moord op aanvallers past bij elke gewone man, maar Arjuna was geen gewoon persoon. Hij was heilig van karakter en daarom wilde hij hen in heiligheid 
behandelen. Dit soort heiligheid is echter niet voor een kṣatriya.


Wat is de betekenis van het woord guḍākeśa in vers 24 van hoofdstuk 1 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


Guḍāka betekent slaap, en iemand die slaap overwint wordt guḍākeśa genoemd. Slaap betekent ook onwetendheid. Dus Arjuna overwon zowel slaap als onwetendheid vanwege zijn vriendschap met Kṛṣṇa. Als grote toegewijde van Kṛṣṇa kon hij Kṛṣṇa zelfs een moment niet vergeten, omdat dat de aard van een toegewijde is. Zowel bij het ontwaken als in de slaap kan een toegewijde van de Heer nooit vrij zijn om aan Kṛṣṇa's naam, vorm, kwaliteit en spel en vermaak te denken. Dus een toegewijde van Kṛṣṇa kan zowel slaap als onwetendheid overwinnen door simpelweg voortdurend aan Kṛṣṇa te denken. Dit wordt Kṛṣṇa-bewustzijn of samādhi genoemd. Als Hṛṣīkeśa, of de leider van de zintuigen en geest van elke levende entiteit, kon Kṛṣṇa het doel van Arjuna begrijpen door de wagen midden op het slagveld, tussen de legers te plaatsen.

Wat is de betekenis van Hanuman's aanwezigheid op de vlag van Arjuna?


Het embleem van Hanuman op de vlag van Arjuna is een ander teken van overwinning, omdat Hanuman samenwerkte met Heer Rama in de strijd tussen Rama en Râvana en Heer Rama als overwinnaar tevoorschijn kwam. Nu waren zowel Rama als Hanuman aanwezig op de wagen van Arjuna om hem te helpen. Heer Kṛṣṇa is Rāma Zelf en waar Heer Rāma is, is Zijn eeuwige dienaar Hanumān en Zijn eeuwige gemalin Sītā, de godin van het geluk, aanwezig. Daarom had Arjuna geen enkele reden om enige vijanden te vrezen. En bovenal was de Heer van de zinnen, Heer Kṛṣṇa, persoonlijk aanwezig om hem advies te geven. Dus, alle goede raad was beschikbaar voor Arjuna in de kwestie van het uitvoeren van de strijd. Onder zulke gunstige voorwaarden, opgesteld door de Heer voor Zijn eeuwige toegewijde, liggen de tekenen van een gegarandeerde overwinning.

Wat zijn de vier tekenen van overwinning voor de Pandava's?


  1. Het klinken van transcendentale schelphoorns wees erop dat er geen hoop op overwinning was voor de andere kant omdat Krsna aan de kant van de Pandava's stond.
  2. Wanneer en waar de Heer ook is, de Godin van het Geluk is er ook met haar echtgenoot. Dit zijn tekenen: overwinning en fortuinlijkheid.
  3. De strijdwagen waarop beiden zaten, was geschonken door Agni, dit geeft aan dat deze wagen in staat was om alle kanten te veroveren, waar deze ook werd getrokken over de drie werelden.
  4. Het embleem van Hanuman op de vlag van Arjuna is een ander teken van overwinning

Waarom was Duryodhana zeker van volledige steun van Bhismadeva en Drona?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 1, TEXT 11:
ayaneṣu ca sarveṣu, yathā-bhāgam avasthitāḥ
bhīṣmam evābhirakṣantu, bhavantaḥ sarva eva hi

Woord-voor-woord-vertalingen:
ayaneṣu — in strategische posities; ca — ook; sarveṣu — overal; yathā-bhā-gam — zoals verschillend opgesteld; avasthitāḥ — geplaatst; bhiṣmam — aan Grootvader Bhīṣma; eva — zeker; abhirakṣantu — moeten dekking geven; bhavantaḥ — jullie; sarve — allemaal respectievelijk; eva hi — zeker.

Vertaling:
Jullie moeten Grootvader Bhīṣma nu allemaal volledige dekking geven, ieder vanuit zijn eigen strategische positie om door te dringen in de slagorde van de vijand.

Uitleg:
Nadat hij Bhīṣma’s moed en bekwaamheid geprezen had, bedacht Duryodhana dat de anderen misschien zouden denken dat ze minder belangrijk werden gevonden; daarom probeerde hij op zijn gebruikelijke diplomatieke manier de situatie met de bovenstaande woorden te manipuleren. Hij benadrukte dat Bhīṣmadeva ongetwijfeld de grootste held was, maar dat hij daarnaast ook een oude man was en dat iedereen er daarom aan moest denken om hem van alle kanten te beschermen. Als Bhīṣma betrokken zou raken in de strijd en zich maar op īīn plaats zou concentreren, dan zou de vijand daar zijn voordeel mee kunnen doen. Het was daarom van belang dat de andere helden hun strategische posities niet zouden verlaten, omdat de vijand anders zou kunnen doordringen in de gevechtsformatie. Duryodhana voelde duidelijk dat de overwinning van de Kuru’s afhing van de aanwezigheid van Bhīṣmadeva. Hij was er zeker van dat Bhīṣmadeva en Droṇācārya hem volledig zouden steunen in de strijd, want hij herinnerde zich nog heel goed dat zij geen woord hadden gesproken toen de vrouw van Arjuna, Draupadī, hen in een hulpeloze positie had gesmeekt haar recht te doen toen ze gedwongen werd naakt te verschijnen voor alle generaals die tijdens de samenkomst aanwezig waren. Hoewel hij wist dat de twee generaals een zekere genegenheid voor de Pāṇḍava’s hadden, hoopte hij niettemin dat deze generaals die genegenheid nu volledig zouden opgeven, zoals zij tijdens het gokspel hadden gedaan.

Maak een lijst van de geloften die Bhima na de gokwedstrijd heeft afgelegd. (1,4)


Breek Duryodhana's dijen en scheur Dusasans op de borst en drink zijn bloed

Wat is de betekenis van Duryodhana's uitspraak dhīmatā, tava śiṣyeṇa in vers 3 van hoofdstuk 1 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


Drona, omdat hij een goede brahmana was, accepteerde zelfs zijn vijand als zijn student. Deze student staat nu voor hem en regelt het leger van Drona's vijand. Duryodhana wilde bij Drona erop wijzen dat dit een vergissing is en dat hij mogelijk compromisloos is in de gevechten. Ook bij het ontmoeten van de pandava's in de strijd, vooral Arjuna, mag Drona ook compromisloos zijn, omdat hij zijn zeer intelligente discipel is. (Tava-je; śiṣyeṇa-discipel; dhīmatā-zeer intelligent.)

Hoe kon Sañjaya het slagveld van Kurukṣetra zien?


Hij was een student van Srila Vyāsadeva en door Zijn genade kon hij zich het slagveld van Kurukṣetra voorstellen terwijl hij in de kamer van Dhṛtarāṣṭra was

Waarom vraagt Dhṛtarāṣṭra aan Sañjaya, wat zijn zonen en de zonen van Pāṇḍu deden, na het samenkomen op de pelgrimsoord bij Kurukṣetra, verlangend om te vechten?


Omdat hij zeer twijfelachtig was of zijn zoons uiteindelijk de overwinning zouden verkrijgen. In zijn twijfel vroeg hij aan zijn secretaris Sañjaya: "Wat hebben mijn zonen en de zonen van Pāṇḍu gedaan?" Hij was ervan overtuigd dat zowel zijn zonen als de zonen van zijn jongere broer Pāṇḍu zich op dat veld van Kurukṣetra hadden verzameld voor een vastberaden oorlog. Toch is zijn vraag belangrijk. Hij wilde geen compromis tussen de neven en broers en hij wilde zeker zijn van het lot van zijn zonen op het slagveld. Omdat de strijd geregeld was om te worden gevochten tegen Kurukṣetra, die elders in de Veda's wordt genoemd als een plaats van aanbidding - zelfs voor de bewoners van de hemel - werd Dhṛtarāṣṭra erg angstig over de invloed van de heilige plaats op de uitkomst van de strijd. Hij wist heel goed dat dit Arjuna en de zonen van Pāṇḍu gunstig zou beïnvloeden, omdat ze van nature allemaal deugdzaam waren. Sañjaya was een student van Vyāsa en daarom was Sañjaya, door de genade van Vyāsa, in staat om het slagveld van Kurukṣetra te aanschouwen, zelfs terwijl hij in de kamer van Dhṛtarāṣṭra was. En dus vroeg Dhṛtarāṣṭra hem naar de situatie op het slagveld.

Zowel de Pāṇḍava's als de zonen van Dhṛtarāṣṭra behoren tot dezelfde familie, maar de denkwijze van Dhṛtarāṣṭra wordt hierin beschreven. Hij beweerde opzettelijk alleen zijn zonen als Kuru's, en hij scheidde de zonen van Pāṇḍu van het familie-erfgoed. Men kan dus de specifieke positie van Dhṛtarāṣṭra begrijpen in zijn relatie met zijn neven, de zonen van Pāṇḍu.

Dhṛtarāṣṭra was de oudste zoon van de Kuru-dynastie, maar hij was blind, dit is een lichamelijk gebrek. Daarom kreeg hij de troon niet toegewezen. Zijn volgende broer, Pāṇḍu, kreeg de troon aangeboden, maar hij stierf op zeer jonge leeftijd, als een jonge man. Toen deze zonen van Pāṇḍu, de vijf zonen, Yudhiṣṭhira Mahārāja, in die tijd nog geen Mahārāja, Yudhiṣṭhira, Bhīma, Arjuna, Nakula, Sahadeva, kleine kinderen waren, werden ze opgevangen door Dhṛtarāṣṭra en andere oudere familieleden zoals Bhīṣmadeva. Hij was de grootvader van de Pāṇḍava's. Bhīṣma was de oudere broer van de vader van Dhṛtarāṣṭra. Hij was zo oud. Eigenlijk behoorde het koninkrijk toe aan Bhīṣma, maar hij bleef een brahmacārī, hij trouwde niet. Er was geen opvolger van Bhīṣmadeva. Daarom waren zijn neven, Dhṛtarāṣṭra en Pāṇḍu, erfgenaam.

Nu, na de dood van Pāṇḍu, was er een samenzwering. Dhṛtarāṣṭra dacht: "Dit is mijn koninkrijk, nu, op de een of andere manier, kon ik het niet krijgen." Nu is mijn broer dood, dus als ik het niet erf, waarom dan niet mijn zonen? " Dit wordt politiek genoemd. Afgunst en jaloezie vinden we altijd in de politiek. Dit is de aard van deze materiële wereld. Je kunt er niet omheen. Spirituele wereld betekent precies het tegenovergestelde. Er is geen politiek. Er is geen jaloezie. Er is geen afgunst. Dat is een spirituele wereld. En materiële wereld betekent politiek, jaloezie, diplomatie, afgunst, zoveel dingen. Dit is de materiële wereld. Dus zelfs in de hemelse planeten zijn deze dingen daar, politiek. Zelfs in het dierenrijk is deze politiek er. Dit is de natuur. Matsaratā. Matsaratā betekent afgunst. Een mens is jaloers op een andere mens. Het doet er niet toe, ook niet voor broeders of familieleden zoals Dhṛtarāṣṭra en Pāṇḍu.

Srimad Bhagavad-gītā zoals ze is Hoofdstuk 1 - श्रीमद् भगवद्गीता यथारूप अध्याय 1

श्लोक 1
धृतराष्ट्र उवाच 
धर्मक्षेत्रे कुरुक्षेत्रे समवेता युयुत्सवः |
मामकाः पाण्डवाश्र्चैव किमकुर्वत सञ्जय || १ ||

TEXT1
dhṛtarāṣṭra uvāca
dharma-kṣetre kuru-kṣetre, samavetā yuyutsavaḥ
māmakāḥ pāṇḍavāś caiva, kim akurvata sañjaya
Woord-voor-woord-vertalingen: 
dhṛtarāṣṭraḥ uvāca — koning Dhṛtarāṣṭra zei; dharma-kṣetre — in de bedevaartplaats; kuru-kṣetre — in de plaats genaamd Kurukṣetra; sama-vetāḥ — bijeengekomen; yuyutsavaḥ — met het verlangen te strijden; māmakāḥ — mijn partij (zonen); pāṇḍavāḥ — de zonen van Pāṇḍu; ca — en; eva — zeker; kim — wat; akurvata — deden ze; sañjaya — o Sañjaya.
Vertaling: 
Dhṛtarāṣṭra zei: O Sañjaya, wat deden mijn zonen en de zonen van Pāṇḍu toen ze vol strijdlust bijeen waren gekomen in de bedevaartplaats Kurukṣetra?
Uitleg: 
De Bhagavad-gītā is de veelgelezen theïstische wetenschap die in het Gītā-māhātmya (De verheerlijking van de Gītā) is samengevat. Daarin wordt gezegd dat men de Bhagavad-gītā met behulp van een toegewijde van Śrī Kṛṣṇa heel zorgvuldig moet lezen en dat men haar moet proberen te begrijpen zonder persoonlijk gekleurde interpretaties. In de Bhagavad-gītā zelf is het voorbeeld te vinden van hoe de Gītā begrepen moet worden, namelijk zoals ze door Arjuna begrepen werd, die de Gītā rechtstreeks van de Heer hoorde. Wanneer men fortuinlijk genoeg is de Bhagavad-gītā te begrijpen in die opeenvolging van discipelen, zonder gekleurde interpretaties, dan overstijgt men de studie van de Vedische wijsheid en alle andere heilige teksten van de wereld. In de Bhagavad-gītā zal men alles vinden wat ook in andere heilige teksten aanwezig is, maar de lezer zal er ook dingen in aantreffen die nergens anders te vinden zijn. Dat is de speciale positie die de Bhagavad-gītā inneemt. Ze is de perfecte theïstische wetenschap, omdat ze rechtstreeks gesproken werd door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Śrī Kṛṣṇa.
De onderwerpen die tussen Dhṛtarāṣṭra en Sañjaya besproken worden en die in het Mahābhārata worden beschreven, vormen de grondslag voor deze grootse filosofie. Deze filosofie werd uiteengezet op het Slagveld van Kurukṣetra, dat al sinds de onheuglijke tijd van het Vedische tijdperk een bedevaartplaats is. De Heer sprak deze filosofie toen Hij persoonlijk op deze planeet aanwezig was om leiding te geven aan de mensheid.
Het woord ‘dharma-kṣetra’ (een plaats waar religieuze rituelen worden verricht) is belangrijk omdat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods op het Slagveld van Kurukṣetra aan de kant van Arjuna stond. Dhṛtarāṣṭra, de vader van de Kuru’s, twijfelde er sterk aan dat zijn zonen uiteindelijk zouden zegevieren. Terwijl hij zo twijfelde, vroeg hij aan Sañjaya, zijn secretaris: ‘Wat deden ze?’ Hij was ervan overtuigd dat zowel zijn zonen als die van zijn jongere broer Pāṇḍu vol vastberadenheid op het slagveld bijeengekomen waren om de strijd aan te gaan. Maar toch is zijn vraag belangrijk. Hij wilde niet dat de neven en broers een compromis zouden aangaan en hij wilde zeker zijn van het lot van zijn zonen op het slagveld. Omdat besloten was dat de slag zou plaatsvinden op Kurukṣetra, dat ergens anders in de Veda’s beschreven wordt als een bedevaartsoord — zelfs voor de hemelbewoners — werd Dhṛtarāṣṭra zeer bezorgd over de invloed van de heilige plaats op de uitkomst van de strijd. Hij wist maar al te goed dat deze invloed gunstig was voor Arjuna en de zonen van Pāṇḍu, omdat ze allemaal van nature deugdzaam waren. Sañjaya was een leerling van Vyāsa en was daarom door de genade van Vyāsa in staat om zich het Slagveld van Kurukṣetra voor de geest te halen, ook al bevond hij zich in de kamer van Dhṛtarāṣṭra. Daarom vroeg Dhṛtarāṣṭra hem naar de situatie op het slagveld.
De Pāṇḍava’s en de zonen van Dhṛtarāṣṭra behoren tot dezelfde familie, maar Dhṛtarāṣṭra onthult hier zijn gedachten. Hij rekende doelbewust alleen zijn eigen zonen tot de Kuru’s en hij ontzegde de zonen van Pāṇḍu hun erfdeel. Hieruit wordt duidelijk wat Dhṛtarāṣṭra’s relatie en positie was ten opzichte van zijn neven, de zonen van Pāṇḍu. Zoals in een rijstveld de overbodige planten weggenomen worden, zo kon vanaf het begin van deze gebeurtenissen verwacht worden dat op het heilige veld Kurukṣetra, waar Śrī Kṛṣṇa, de vader van religie, aanwezig was, de ongewenste planten zoals Dhṛtarāṣṭra’s zoon Duryodhana en anderen weggevaagd zouden worden en dat diep religieuze personen, aangevoerd door Yudhiṣṭhira, door de Heer zouden worden aangesteld. Dat is de betekenis van de woorden ‘dharma-kṣetre’ en ‘kuru-kṣetre’, los van hun historische en Vedische betekenis.