Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

woensdag 31 juli 2019

Wat is de betekenis van de uitdrukking brahma-nirvanam rcchati in vers 72 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?

brahma-nirvāṇam — het spirituele koninkrijk van God; ṛcchati — men bereikt

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 72:
eṣā brāhmī sthitiḥ pārtha, naināṁ prāpya vimuhyati
sthitvāsyām anta-kāle ’pi, brahma-nirvāṇam ṛcchati

Woord-voor-woord-vertalingen:
eṣā — deze; brāhmī — spirituele; sthitiḥ — situatie; pārtha — o zoon van Pṛthā; na — nooit; enām — dit; prāpya — bereikend; vimuhyati — iemand is verward; sthitvā — vaststaand; asyām — in dit; anta-kāle — aan het eind van het leven; api — ook; brahma-nirvāṇam — het spirituele koninkrijk van God; ṛcchati — men bereikt.

Vertaling:
Dat is de spirituele en goddelijke levenswijze, en wie deze heeft bereikt, zal niet meer verward zijn. Wanneer iemand zich zelfs op het moment van de dood in die toestand bevindt, kan hij binnengaan in het koninkrijk van God.

Uitleg:
Men kan onmiddellijk, binnen een seconde, Kṛṣṇa-bewust worden of goddelijk leven, of men kan zelfs na miljoenen levens niet in staat zijn dit te bereiken. Het is een kwestie van de waarheid begrijpen en deze aanvaarden. Khaṭvāṅga Mahārāja bereikte deze toestand enkele minuten vóór zijn dood door zich over te geven an Kṛṣṇa.

Nirvāṇa betekent een einde maken aan het materiële leven. Volgens de boeddhistische filosofie is er na het beëindigen van dit materiële leven enkel de leegte, maar de Bhagavad-gītā leert iets anders. Het echte leven begint na het beëindigen van dit materiële bestaan. Voor een uitgesproken materialist is het voldoende om te weten dat men de materialistische levenswijze moet beëindigen, maar voor personen die spiritueel gevorderd zijn, is er na dit materiële bestaan een ander bestaan. Als iemand het geluk heeft om voor het beëindigen van dit leven Kṛṣṇa-bewust te worden, dan bereikt hij onmiddellijk het niveau van brahma-nirvāṇa.

Er bestaat geen verschil tussen het koninkrijk van God en devotionele dienst aan de Heer. Omdat ze zich allebei op het absolute vlak bevinden, is het zo dat, als men bezig is met transcendentale liefdedienst aan de Heer, men het spirituele koninkrijk bereikt heeft. In de materiële wereld zijn er activiteiten voor zinsbevrediging, maar in de spirituele wereld zijn er Kṛṣṇa-bewuste activiteiten. Met het verwerven van Kṛṣṇa-bewustzijn heeft men, zelfs tijdens dit leven, onmiddellijk het Brahman verworven en iemand die verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn is zeker al het koninkrijk van God binnengegaan. Brahman is precies het tegenovergestelde van materie. Brāhmī sthiti betekent daarom: ‘niet op het niveau van materiële activiteiten.’ Devotionele dienst aan de Heer wordt in de Bhagavad-gītā beschouwd als het niveau van bevrijding (sa guṇān samatītyaitān brahma-bhūyāya kalpate). Brāhmī sthiti is daarom bevrijding van materiële gebondenheid.

Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura heeft dit tweede hoofdstuk beschreven als de samenvatting van de hele Bhagavad-gītā. De onderwerpen die de Bhagavad-gītā behandelt, zijn karma-yoga, jñāna-yoga en bhakti-yoga. In het tweede hoofdstuk zijn karma- en jñāna-yoga uitvoerig besproken en ook is er een glimp van bhakti-yoga gegeven als de inhoud van de hele tekst.

Zo eindigen de commentaren van Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda bij het tweede hoofdstuk van Śrīmad Bhagavad-gītā, getiteld ‘Samenvatting van de Gītā’.

Wat zijn de acht fasen van spirituele neergang in het Nederlands en in het Sanskriet?


1.aandacht voor de objecten van de zintuigen (dhyayataḥ viṣayān)
2.gehechtheid ontwikkelen voor de objecten van de zintuigen (saṅgaḥ teṣu)
3.ontwikkelen van lust door deze gehechtheid voor de objecten van de zintuigen (sañjāyate kāmaḥ)
4.manifesteren van woede uit lust voor deze gehechtheid voor de objecten van de zintuigen (krodhaḥ abhijāyate)
5.ontwikkelen van illusie vanuit woede (bhavati saṁmohaḥ)
6.ontwikkelen van verbijstering van het geheugen vanuit de illusie (smṛti vibhramaḥ)
7.verliezen van intelligentie vanuit verbijstering van het geheugen (buddhi-nāśaḥ)
8.het naar beneden vallen in de materiële moeras, na het verliezen van intelligentie (praṇaśyati)

Genomen uit: Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Verzen 62 en 63:

TEXT 62:
dhyāyato viṣayān puṁsaḥ, saṅgas teṣūpajāyate
saṅgāt sañjāyate kāmaḥ, kāmāt krodho ’bhijāyate

Woord-voor-woord-vertalingen:
dhyāyataḥ — de aandacht richtend op; viṣayān — zinsobjecten; puṁsaḥ — van een persoon; saṅgaḥ — gehechtheid; teṣu — aan de zinsobjecten; upajāyate — ontwikkelt zich; saṅgāt — van gehechtheid; sañjāyate — ontwikkelt zich; kāmaḥ — begeerte; kāmāt — van begeerte; krodhaḥ — woede; abhijāyate — onstaat.

Vertaling:
Door zijn aandacht op de zinsobjecten te richten, raakt men aan ze gehecht; uit zulke gehechtheid ontwikkelt zich lust en uit lust ontstaat woede.

Uitleg:
Wie niet Kṛṣṇa-bewust is, is onderhevig aan materiële verlangens wanneer hij zijn aandacht op de zinsobjecten richt. De zintuigen hebben echte bezigheden nodig en als ze niet in beslag worden genomen door transcendentale liefdedienst aan de Heer, zullen ze zulke bezigheden zeker in de dienst van het materialisme zoeken.
In de materiële wereld is iedereen, inclusief Heer Śiva en Heer Brahmā — om maar te zwijgen van andere halfgoden op de hemelse planeten — onderhevig aan de invloed van de zinsobjecten. De enige manier om uit de puzzel van het materiële bestaan te komen is Kṛṣṇa-bewust te worden. Heer Śiva was in diepe meditatie verzonken, maar toen Pārvatī hem tot zinnelijk genot aanzette, ging hij op haar voorstel in en als gevolg hiervan werd Kārtikeya geboren. Toen Haridāsa Ṭhākura een jonge toegewijde van de Heer was, werd hij op soortgelijke manier verleid door een incarnatie van Māyā-devī, maar door zijn onvermengde devotie voor Kṛṣṇa doorstond Haridāsa de test met gemak.
Zoals in het vers van Śrī Yāmunācārya hierboven duidelijk werd gemaakt, schuwt een oprechte toegewijde van de Heer alle materiële zinsbevrediging, omdat hij een hogere smaak heeft voor spiritueel plezier in het gezelschap van de Heer. Dat is het geheim van succes. Daarom zal iemand die niet Kṛṣṇa-bewust is uiteindelijk falen in het beheersen van zijn zintuigen, hoe bedreven hij er ook in is ze kunstmatig te onderdrukken, want de minste gedachte aan zinnelijk genot zal hem ertoe aanzetten zijn zintuigen te bevredigen.


TEXT 63:
krodhād bhavati sammohaḥ, sammohāt smṛti-vibhramaḥ
smṛti-bhraṁśād buddhi-nāśo, buddhi-nāśāt praṇaśyati

Woord-voor-woord-vertalingen:
krodhāt — van woede; bhavati — vindt plaats; sammohaḥ — volkomen illusie; sammohāt — van illusie; smṛti — van geheugen; vibhramaḥ — verwarring; smṛti-bhraṁśāt — na de verbijstering van het geheugen; buddhi-nāśaḥ — verlies van intelligentie; buddhi-nāśāt — en door het verlies van intelligentie; praṇaśyati — komt men ten val.

Vertaling:
Uit woede komt volslagen illusie voort en illusie veroorzaakt verwarring van het geheugen. Wanneer het geheugen verward is, gaat de intelligentie verloren en is de intelligentie eenmaal verloren, dan valt men terug in het materiële moeras.

Uitleg:
Door ontwikkeling van Kṛṣṇa-bewustzijn kan men weten dat alles zijn nut heeft in dienst van de Heer. Degenen die zonder kennis van Kṛṣṇa-bewustzijn zijn, proberen kunstmatig objecten te vermijden en als gevolg daarvan bereiken ze, hoewel ze de bevrijding van materiële gebondenheid verlangen, niet het perfecte stadium van verzaking. Aan de andere kant weet iemand in het Kṛṣṇa-bewustzijn alles te gebruiken in dienst van de Heer; daarom wordt hij geen slachtoffer van materieel bewustzijn. Bijvoorbeeld, voor een impersonalist kan de Heer, of het Absolute, onpersoonlijk zijn, niet eten. Terwijl een impersonalist goede eetwaren probeert te vermijden, weet een toegewijde dat Kṛṣṇa de allerhoogste genieter is en dat Hij alles eet wat Hem in toewijding wordt aangeboden. Dus, na het aanbieden van goede eetwaren aan de Heer neemt de toegewijde de overblijfselen, genaamd prasādam. Zo wordt alles vergeestelijkt en bestaat er geen gevaar voor een ondergang. De toegewijde neemt prasādam in Kṛṣṇa-bewustzijn, terwijl de niet-toegewijde het als materiaal afwijst. De impersonalist kan daarom niet genieten van het leven vanwege zijn kunstmatige verzaking; en om deze reden trekt een lichte opwinding van de geest hem weer omlaag in de poel van het materiële bestaan. Er wordt gezegd dat zo'n ziel, ook al stijgt ze op tot het punt van bevrijding, weer naar beneden valt omdat hij geen steun in devotionele dienst heeft.

Wie is het voorbeeld van een mat-parah gegeven in vers 61 in hoofdstuk 2 in Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


mat-paraḥ — in relatie met Mij;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 61:
tāni sarvāṇi saṁyamya, yukta āsīta mat-paraḥ
vaśe hi yasyendriyāṇi, tasya prajñā pratiṣṭhitā

Woord-voor-woord-vertalingen:
tāni — die zintuigen; sarvāṇi — alle; saṁyamya — beheersend; yuktaḥ — verbonden; āsīta — moet zich bevinden; mat-paraḥ — in relatie met Mij; vaśe — in volledige onderwerping; hi — zeker; yasya — iemand van wie; indriyāṇi — zintuigen; tasya — zijn; prajñā — bewustzijn; pratiṣṭhitā — onwankelbaar.

Vertaling:
Wie zijn zintuigen beheerst en volledig in bedwang houdt en zijn bewustzijn op Mij richt, wordt een mens van onwankelbare intelligentie genoemd.

Uitleg:
In dit vers wordt duidelijk gezegd dat Kṛṣṇa-bewustzijn de hoogste vorm van perfectie in yoga is. Men kan onmogelijk zijn zintuigen beheersen zonder Kṛṣṇa-bewust te zijn. Zoals hierboven al gezegd is, zocht de grote wijze Durvāsā Muni onenigheid met Mahārāja Ambarīṣa; Durvāsā Muni werd uit trots onnodig kwaad en kon daardoor zijn zintuigen niet bedwingen. De koning, die weliswaar niet zo’n machtige yogī was als de wijze, maar wel een toegewijde van de Heer, verdroeg daarentegen zwijgend het onrecht dat de wijze hem aandeed en triomfeerde daardoor. De koning was in staat zijn zintuigen te beheersen, omdat hij de volgende eigenschappen had die in het Śrīmad-Bhāgavatam (9.4.18-20) worden genoemd:

sa vai manaḥ kṛṣṇa-padāravindayor
vacāṁsi vaikuṇṭha-guṇānuvarṇane
karau harer mandira-mārjanādiṣu
śrutiṁ cakārācyuta-sat-kathodaye
mukunda-liṅgālaya-darśane dṛśau
tad-bhṛtya-gātra-sparśe ’ṅga-saṅgamam
ghrāṇaṁ ca tat-pāda-saroja-saurabhe
śrīmat-tulasyā rasanāṁ tad-arpite
pādau hareḥ kṣetra-padānusarpaṇe
śiro hṛṣīkeśa-padābhivandane
kāmaṁ ca dāsye na tu kāma-kāmyayā
yathottama-śloka-janāśrayā ratiḥ

‘Koning Ambarīṣa concentreerde zijn geest op de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa, gebruikte zijn woorden om de verblijfplaats van de Heer te beschrijven; zijn handen om de tempel van de Heer schoon te maken; zijn oren om over de activiteiten van vermaak van de Heer te horen; zijn ogen om de vorm van de Heer te zien; zijn lichaam om de lichamen van de toegewijden aan te raken; zijn neus om de geur van de bloemen die aan de lotusvoeten van de Heer zijn geofferd, te ruiken; zijn tong om de tulasī-bladeren te proeven die aan Hem zijn geofferd; zijn benen om naar de heilige plaats te reizen waar Zijn tempel staat; zijn hoofd om eerbetuigingen te brengen aan de Heer, en zijn verlangens om de verlangens van de Heer te vervullen — en al deze eigenschappen maakten hem geschikt om een mat-parah-toegewijde van de Heer te worden.’

Het woord ‘mat-parah’ is uiterst belangrijk in dit verband. Hoe iemand mat-parah kan worden, blijkt uit de levensbeschrijving van Mahārāja Ambarīṣa. Śrīla Baladeva Vidyābhūṣaṇa, een groot geleerde en ācārya in de lijn van mat-parah-toegewijden, merkt het volgende op: mad-bhakti-prabhāvena sarvendriya-vijaya-pūrvikā svātma-dṛṣṭiḥ sulabheti bhāvaḥ. ‘De zintuigen kunnen alleen volledig worden beheerst door de kracht van devotionele dienst aan Kṛṣṇa.’ Soms wordt ook het voorbeeld van het vuur gegeven: ‘Zoals een laaiend vuur alles in een kamer verbrandt, zo brandt Heer Viṣṇu, die Zich in het hart van de yogī bevindt, alle onzuiverheden weg.’ Het Yoga-sūtra schrijft ook meditatie op Heer Viṣṇu voor en niet mediteren op de leegte. De zogenaamde yogī’s die op iets anders dan de vorm van Viṣṇu mediteren, verspillen eenvoudig hun tijd met het vergeefs najagen van hersenschimmen. We moeten Kṛṣṇa-bewust worden, toegewijd aan de Persoonlijkheid Gods. Dat is het doel van ware yoga.

Hoe kan het doel van de Vedische cultuur het beste worden gediend


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 46:
yāvān artha udapāne, sarvataḥ samplutodake
 tāvān sarveṣu vedeṣu, brāhmaṇasya vijānataḥ

Woord-voor-woord-vertalingen:
yāvān — alles wat; arthaḥ — is bedoeld; uda-pāne — in een waterbron; sarvataḥ — in alle opzichten; sampluta-udake — in een groot waterreservoir; tāvān — op dezelfde manier; sarveṣu — in alle; vedeṣu — Vedische literatuur; brāhmaṇasya — van degene die het Allerhoogste Brahman kent; vijānataḥ — die volledige kennis bezit.

Vertaling:
Alle doeleinden die door een kleine waterbron worden gediend, kunnen in één keer worden gediend door een groot waterreservoir. Op dezelfde manier kan elk resultaat van het volgen van de Veda’s verkregen worden door iemand die hun werkelijke bedoeling kent.

Uitleg:
De rituelen en offers die in het karma-kāṇḍa-gedeelte van de Vedische literatuur worden vermeld, zijn bedoeld als aanmoediging tot een geleidelijke ontwikkeling naar zelfrealisatie. En het doel van zelfrealisatie blijkt duidelijk uit het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (15.15): het doel van het bestuderen van de Veda’s is het begrijpen van Heer Kṛṣṇa, de oorspronkelijke oorzaak van alles. Zelfrealisatie betekent dus het begrijpen van Kṛṣṇa en onze eeuwige relatie met Hem. Ook de relatie tussen de levende wezens en Kṛṣṇa wordt in het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (15.7) genoemd. De levende wezens zijn integrerende deeltjes van Kṛṣṇa; daarom is het opwekken van Kṛṣṇa-bewustzijn door het individuele levend wezen het hoogste niveau van Vedische kennis. Dit wordt als volgt bevestigd in het Śrīmad-Bhāgavatam (3.33.7):

aho bata śva-paco ’to garīyān, yaj-jihvāgre vartate nāma tubhyam
tepus tapas te juhuvuḥ sasnur āryā, brahmānūcur nāma gṛṇanti ye te

‘O mijn Heer, iemand die Uw heilige naam chant, bevindt zich op het hoogste niveau van zelfrealisatie, ook al is hij geboren in een lage familie van bijvoorbeeld een caṇḍāla [hondeneter]. Zo’n persoon moet wel alle vormen van ascese en offers in overeenstemming met de Vedische rituelen hebben verricht, de Vedische literatuur vele, vele malen hebben bestudeerd en zijn bad hebben genomen in alle heilige pelgrimsoorden. Zo’n persoon wordt beschouwd als de voornaamste van de familie van de Ārya’s.’

Men moet dus intelligent genoeg zijn om het doel van de Veda’s te begrijpen, zonder aan de rituelen alleen gehecht te zijn, en men moet er niet naar verlangen bevorderd te worden naar de hemelse koninkrijken voor een hogere standaard van zinsbevrediging. Voor de gemiddelde mens in dit tijdperk is het niet mogelijk om alle regels en bepalingen van de Vedische rituelen te volgen en evenmin is het mogelijk om de hele Vedānta en alle upaniṣads grondig te bestuderen. Het kost veel tijd, energie, kennis en financiële middelen om de rituelen van de Veda’s uit te voeren. Zoiets is in dit tijdperk nauwelijks mogelijk.

Het hoogste doel van de Vedische cultuur kan echter worden bereikt door het chanten van de heilige naam van de Heer, zoals ons door Heer Caitanya, de verlosser van de gevallen zielen, wordt aangeraden. Toen Heer Caitanya door de grote Vedisch geleerde Prakāśānanda Sarasvatī werd gevraagd waarom Hij, de Heer, in plaats van de vedānta-filosofie te bestuderen, als een sentimentalist de heilige naam van de Heer aan het chanten was, antwoordde de Heer dat Zijn spiritueel leraar Hem een grote dwaas vond en Hem daarom gevraagd had de heilige naam van Heer Kṛṣṇa te chanten. Hij deed dit en raakte in extase als een bezetene.

In dit Tijdperk van Kali is het overgrote deel van de bevolking dwaas en onvoldoende opgeleid om de vedānta-filosofie te begrijpen; het hoogste doel van de vedānta-filosofie kan worden gediend door zonder overtredingen de heilige naam van de Heer te chanten. De Vedānta is de eindconclusie van de Vedische wijsheid en de auteur en de kenner van de vedānta-filosofie is Heer Kṛṣṇa, en de meest gevorderde vedāntist is de grote ziel die plezier heeft in het chanten van de heilige naam van de Heer. Dat is het uiteindelijke doel van alle Vedische mystiek.

Wat is het onderwerp dat door de Veda's wordt behandeld?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 45:
trai-guṇya-viṣayā vedā, nistrai-guṇyo bhavārjuna
 nirdvandvo nitya-sattva-stho, niryoga-kṣema ātmavān

Woord-voor-woord-vertalingen:
trai-guṇya — betrekking hebbend op de drie hoedanigheden van de materiële natuur; viṣayāḥ — op het onderwerp; vedāḥ — Vedische literatuur; nistrai-guṇyaḥ — ontstegen aan de drie hoedanigheden van de materiële natuur; bhava — wees; arjuna — o Arjuna; nirdvandvaḥ — zonder dualiteit; nitya-sattva-sthaḥ — in een zuivere toestand van spiritueel bestaan; niryoga-kṣemaḥ — vrij van gedachten aan winst en bescherming; ātma-vān — verankerd in het zelf.

Vertaling:
De Veda’s spreken vooral over de drie hoedanigheden van de materiële natuur. O Arjuna, ontstijg aan deze drie hoedanigheden. Raak bevrijd van alle dualiteiten en van alle bezorgdheid om winst of veiligheid en wees verankerd in het zelf.

Uitleg:
Alle materiële activiteiten brengen onder invloed van de drie hoedanigheden van de materiële natuur acties en reacties met zich mee. Ze zijn bedoeld voor zelfzuchtige resultaten, die gebondenheid in de materiële wereld veroorzaken. De Veda’s gaan voor het grootste gedeelte over resultaatgerichte activiteiten om het gewone volk geleidelijk aan te verheffen van het zintuiglijke vlak tot een positie op het transcendentale vlak. Als leerling en vriend van Heer Kṛṣṇa wordt Arjuna aangeraden zichzelf te verheffen tot het transcendentale niveau van de vedānta-filosofie, die begint met brahma-jijñāsā of vragen over de allerhoogste transcendentale werkelijkheid.

Alle levende wezens in de materiële wereld leveren een bittere strijd om het bestaan. Na de schepping van de materiële wereld gaf de Heer hun de Vedische wijsheid, die aanwijzingen geeft over hoe ze moeten leven om zich van de materiële verstrikking te bevrijden. Wanneer de activiteiten voor zinsbevrediging, namelijk het karma-kāṇḍa-hoofdstuk, afgerond zijn, wordt de kans op spirituele bewustwording geboden in de vorm van de upaniṣads, die deel uitmaken van verschillende Veda’s, zoals de Bhagavad-gītā deel uitmaakt van de vijfde veda, het Mahābhārata. Het spirituele leven begint pas vanaf de upaniṣads.

Zolang het materiële lichaam bestaat, zijn er acties en reacties onder invloed van de materiële hoedanigheden. Men moet verdraagzaam leren zijn wanneer dualiteiten als geluk en ellende of hitte en kou zich voordoen, en door zulke dualiteiten te verdragen moet men alle angst voor winst en verlies laten varen. Deze transcendentale positie bereikt men in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn, wanneer men totaal afhankelijk is van de welwillendheid van Kṛṣṇa.

Wat is de betekenis van de uitdrukking vyavasayatmika buddhi in vers 41 in hoofdstuk 2 in de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


vyavasāya-ātmikā — vastberaden in Kṛṣṇa-bewustzijn; buddhiḥ — intelligentie;

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, Vers 41:
vyavasāyātmikā buddhir, ekeha kuru-nandana
bahu-śākhā hy anantāś ca, buddhayo ’vyavasāyinām

Woord-voor-woord-vertalingen:
vyavasāya-ātmikā — vastberaden in Kṛṣṇa-bewustzijn; buddhiḥ — intelligentie; ekā — maar īīn; iha — in deze wereld; kuru-nandana — o geliefd kind van de Kuru’s; bahu-śākhāḥ — verschillende takken hebbend; hi — zeker; anantāḥ — oneindig; ca — ook; buddhayaḥ — intelligentie; avyavasāyinām — van hen die zich niet in Kṛṣṇa-bewustzijn bevinden.

Vertaling:
Zij die zich op dit pad bevinden zijn vastberaden en richten zich op één doel. Maar de intelligentie van hen die aarzelen, O geliefd kind van de Kuru’s, is wijdvertakt.

Uileg:
De vaste overtuiging dat men door Kṛṣṇa-bewustzijn verheven zal worden tot de hoogste volmaaktheid van het leven wordt vyavasāyātmikā-intelligentie genoemd. In het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.62) staat:

śraddhā’-śabde —– viśvāsa kahe sudṛḍha niścaya
kṛṣṇe bhakti kaile sarva-karma kṛta haya

Geloof betekent een onwankelbaar vertrouwen hebben in iets verhevens. Wie zijn plichten in Kṛṣṇa-bewustzijn vervuld, hoeft zich niet meer bezig te houden met de verplichtingen van de materiële wereld wat betreft familietradities, samenleving of nationaliteit. Het karma voor goede en slechte daden zorgt ervoor dat men zich met resultaatgerichte activiteiten bezighoudt. Wie Kṛṣṇa-bewust is, hoeft zich niet langer in te zetten voor de goede resultaten van zijn activiteiten. Wanneer men verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn, bevinden alle activiteiten zich op het absolute niveau, omdat ze niet langer onderworpen zijn aan dualiteiten zoals goed en kwaad. De hoogste volmaaktheid in Kṛṣṇa-bewustzijn is onthechting van de materialistische levensopvatting. Deze toestand wordt vanzelf bereikt door vooruitgang te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn.

De vastberadenheid van een persoon in Kṛṣṇa-bewustzijn is gebaseerd op kennis. Vāsudevaḥ sarvam iti sa mahātmā su-durlabhaḥ: een Kṛṣṇa-bewust persoon is die zeldzame, goede ziel die de perfecte kennis heeft dat Vāsudeva, Kṛṣṇa, de wortel van alle gemanifesteerde oorzaken is. Zoals men door water op de wortels van een boom te gieten vanzelf ook de bladeren en de takken van water voorziet, zo kan men door Kṛṣṇa-bewust te handelen de grootste dienst bewijzen aan iedereen, namelijk aan zichzelf, familie, samenleving, land, mensheid enz. Als Kṛṣṇa tevreden is met onze activiteiten, dan zal iedereen tevreden zijn.

Devotionele dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn kan het best beoefend worden onder de bekwame begeleiding van een spiritueel leraar die een bonafide vertegenwoordiger is van Kṛṣṇa en die de aard van de student kent en hem in zijn Kṛṣṇa-bewuste activiteiten kan begeleiden. Om vertrouwd te raken met het Kṛṣṇa-bewustzijn is het noodzakelijk standvastig te werk te gaan, de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa te gehoorzamen en de instructie van een bonafide spiritueel leraar te aanvaarden als het doel van het leven. In zijn beroemde gebeden aan de spiritueel leraar geeft Śrīla Viśvanātha Cakravartī Ṭhākura ons de volgende instructie:

yasya prasādād bhagavat-prasādo
yasyāprasādān na gatiḥ kuto ’pi
dhyāyan stuvaṁs tasya yaśas tri-sandhyaṁ
vande guroḥ śrī-caraṇāravindam

‘Door de spiritueel leraar tevreden te stellen, wordt ook de Allerhoogste Persoon-lijkheid Gods tevredengesteld. Maar als men de spiritueel leraar niet tevredenstelt, dan is het onmogelijk om op het niveau van Kṛṣṇa-bewustzijn te komen. Daarom moet ik drie keer per dag op mijn spiritueel leraar mediteren en voor zijn genade bidden en moet ik mijn spiritueel leraar mijn respectvolle eerbetuigingen brengen.’

Het hele proces hangt echter af van de volmaakte kennis dat de ziel een bestaan heeft los van de lichamelijke levensopvatting — niet alleen theoretisch, maar ook praktisch, wanneer er geen kans meer bestaat op zinsbevrediging die tot uiting komt in resultaatgerichte activiteiten. Wie niet vastberaden van geest is, zal door verschillende soorten resultaatgerichte activiteiten worden afgeleid.

woensdag 26 juni 2019

Wat zijn de zes soorten transformaties waaraan het lichaam onderworpen is?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, TEXT 20:
na jāyate mriyate vā kadācin
nāyaṁ bhūtvā bhavitā vā na bhūyaḥ
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo
na hanyate hanyamāne śarīre

Woord-voor-woord-vertalingen:
na — nooit; jāyate — wordt geboren; mriyate — sterft; vā — evenmin; kadācit — wanneer dan ook (verleden, heden of toekomst); na — nooit; ayam — deze; bhūtvā — na ontstaan te zijn; bhavitā — zal onstaan; vā — of; na — niet; bhūyaḥ — of ontstaat opnieuw; ajaḥ — ongeboren; nityaḥ — eeuwig; śāśvataḥ — permanent; ayam — deze; purāṇaḥ — de oudste; na — nooit; hanyate — wordt gedood; hanyamāne — is gedood; śarīre — het lichaam.

Vertaling:
Voor de ziel bestaat er op geen enkel tijdstip geboorte of dood. Ze is niet ontstaan, ze ontstaat niet en ze zal niet ontstaan. Ze is ongeboren, eeuwig, oorspronkelijk en permanent. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood.

Uitleg:
Kwalitatief gezien is het afzonderlijke en atomisch kleine deeltje van de Allerhoogste Ziel īīn met de Allerhoogste. Het ondergaat geen veranderingen zoals het lichaam. De ziel wordt soms de bestendige of kūṭa-stha genoemd. Het lichaam is onderhevig aan zes verschillende transformaties: het wordt geboren uit de baarmoeder van het moederlichaam, groeit, blijft enige tijd, produceert enkele bijverschijnselen, verzwakt geleidelijk aan en verdwijnt uiteindelijk in de vergetelheid. De ziel daarentegen is niet onderhevig aan zulke veranderingen. De ziel wordt niet geboren, maar omdat ze een materieel lichaam aanneemt, wordt het lichaam geboren. De ziel wordt niet in een lichaam geboren en sterft ook niet. Alles wat geboren wordt, sterft ook. Maar omdat de ziel niet geboren wordt, heeft ze geen verleden, heden of toekomst. Ze is eeuwig, oorspronkelijk en bestaat altijd; met andere woorden, er is in de geschiedenis geen spoor van haar ontstaan te bekennen. Alleen omdat we zien dat het lichaam geboren wordt, zoeken we naar het tijdstip van de geboorte enz. van de ziel.
In tegenstelling tot het lichaam, wordt de ziel op geen enkel moment oud. Een man die zogenaamd oud is, voelt zich van binnen dezelfde als in zijn kinderjaren of toen hij een jongeman was. De veranderingen van het lichaam hebben geen invloed op de ziel. De ziel vergaat niet als een boom of iets anders materieels. De ziel heeft ook geen bijproducten. De bijproducten van het lichaam, namelijk kinderen, zijn ook verschillende individuele zielen en vanwege het lichaam verschijnen ze als de kinderen van een bepaald persoon. Het lichaam ontwikkelt zich omdat de ziel erin aanwezig is, maar de ziel heeft geen nakomelingen en ondergaat geen verandering; de ziel is daarom vrij van de zes veranderingen van het lichaam.
In de Kaṭha Upaniṣad (1.2.18) vinden we een soortgelijke passage:
na jāyate mriyate vā vipaścin, nāyaṁ kutaścin na babhūva kaścit
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo, na hanyate hanyamāne śarīre
De betekenis en uitleg van dit vers is dezelfde als die in de Bhagavad-gītā, maar in dit vers wordt een specifiek woord gebruikt, namelijk ‘vipaścit’, dat ‘geleerd’ of ‘met kennis’ betekent. De ziel is vol kennis of altijd vol bewustzijn. Het bewustzijn is dan ook hīt kenmerk van de ziel. Zelfs al is men niet in staat om de ziel in het hart te vinden — waar ze zich bevindt — dan nog kan men de aanwezigheid van de ziel eenvoudig begrijpen door de aanwezigheid van bewustzijn. Soms kunnen we de zon niet zien omdat het bewolkt is of om een andere reden, maar het zonlicht is altijd aanwezig en daarom zijn we ervan overtuigd dat het dag is. Zodra er in de vroege morgen een sprankje licht aan de horizon verschijnt, kunnen we begrijpen dat de zon er is. Op dezelfde manier kunnen we de aanwezigheid van de ziel begrijpen, doordat er in alle lichamen — zowel menselijke als dierlijke — een zekere mate van bewustzijn aanwezig is. Maar dit bewustzijn van de ziel is verschillend van dat van de Allerhoogste, omdat het allerhoogste bewustzijn alle kennis omvat — van verleden, heden en toekomst. Het is de individuele ziel die geneigd is tot vergeetachtigheid en wanneer ze haar werkelijke natuur vergeet, krijgt ze onderricht en verlichting door de verheven lessen van Kṛṣṇa. Maar Kṛṣṇa is niet zoals de vergeetachtige ziel; zou dat wel zo zijn, dan zou de filosofie van Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā nutteloos zijn.
Er bestaan twee soorten zielen, namelijk de minuscule ziel, die een deeltje is (aṇu-ātmā), en de Superziel (vibhu-ātmā). Dit wordt bevestigd in de Kaṭha Upaniṣad (1.2.20):
aṇor aṇīyān mahato mahīyān, ātmāsya jantor nihito guhāyām
tam akratuḥ paśyati vīta-śoko, dhātuḥ prasādān mahimānam ātmanaḥ
‘Zowel de Superziel [Paramātmā] als de atomische ziel [jīvātmā] bevindt zich in dezelfde boom van het lichaam, in hetzelfde hart van het levend wezen; alleen degene die vrij is geraakt van alle materiële verlangens en verdriet, kan door de genade van de Allerhoogste de glorie van de ziel begrijpen.’ Kṛṣṇa is ook de oorsprong van de Superziel (dit zal in de volgende hoofdstukken worden uitgelegd) en Arjuna is de atomische ziel die zijn werkelijke natuur vergeten is; daarom moet hij door Kṛṣṇa of door Zijn bonafide vertegenwoordiger (de spiritueel leraar) worden verlicht.

vrijdag 31 mei 2019

Gebed tot de lotusvoeten van Krishna

door Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Prabhupada
Stichter en Enige-Acarya van de Internationale Gemeenschap voor Krishna Bewustzijn

Op 13 september 1965 schreef Srila Prabhupada het volgende gebed aan boord van het stoomschip Jaladuta op weg naar Amerika.
___________________________________________________________

Ik zeg nadrukkelijk tegen je, O broeders, dat je je geluk alleen van de Allerhoogste Heer Krsna zult krijgen als Srimati Radharani tevreden met je wordt.
Sri Srimad Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakur, die Lord Gauranga, de zoon van moeder Saci, zeer dierbaar is, is ongeëvenaard in zijn dienst aan de Allerhoogste Heer Sri Krsna. Hij is die grote heilige spirituele meester die op verschillende plaatsen in de wereld een intense toewijding aan Krsna schenkt.
Door zijn sterke verlangen zal de heilige naam van Heer Gauranga zich door alle landen van de Westerse wereld verspreiden. In alle steden, dorpen en voorsteden op aarde, uit alle oceanen, zeeën, rivieren en beken, zingt iedereen de heilige naam Krsna.
Zoals de enorme genade van Sri Caitanya Mahaprabhu alle richtingen overwint, zal een overstroming van transcendentale extase zeker het land bedekken. Wanneer alle zondige, miserabele levende wezens gelukkig worden, wordt het verlangen van de Vaisnava vervuld.
Hoewel mijn Guru Maharaja mij opdracht gaf om deze missie te volbrengen, ben ik het niet waard of geschikt om het te doen. Ik ben erg gevallen en onbeduidend. Daarom, O Heer, smeek ik nu om Uw genade zodat ik waardig kan worden, want U bent de wijste en meest ervaren van alles.
Als U Uw kracht schenkt, bereikt men door het dienen van de spiritueel leraar de Absolute Waarheid - wordt iemands leven succesvol. Als die dienst wordt verkregen, wordt men gelukkig en krijgt uw associatie ten gevolge van geluk.

evaṁ janaṁ nipatitaṁ prabhavāhi-kūpe
kāmābhikāmam anu yaḥ prapatan prasaṅgāt
kṛtvātmasāt surarṣiṇā bhagavan gṛhītaḥ
so ’haṁ kathaṁ nu visṛje tava bhṛtya-sevām
"Mijn lieve Heer, O Allerhoogste Persoonlijkheid van God, vanwege mijn omgang met materiële verlangens, de een na de ander, viel ik geleidelijk in een blinde put van slangen, de algemene bevolking volgend, maar Uw dienaar Narada Muni aanvaardde mij vriendelijk als zijn discipel en instrueerde me hoe deze transcendentale positie te bereiken is. Daarom is het mijn eerste plicht hem te dienen. Hoe kon ik zijn dienst verlaten?" (Prahlada Maharaja aan Lord Nrsimhadeva, Srimad-Bhagavatam, 7.9.28)

O Heer Krsna, U bent mijn eeuwige metgezel. Door U te vergeten, heb ik de schoppen van maya -geboorte na geboorte geleden. Als vandaag de kans om U te ontmoeten opnieuw optreedt, dan zal ik zeker in staat zijn om weer bij U te komen.
O beste vriend, in Uw gezelschap zal ik opnieuw grote vreugde ervaren. In de vroege ochtend dwaal ik af over de koeherdersweiden en velden. Rennen en stoeien in de vele wouden van Vraja, ik rol op de grond in spirituele extase. O, wanneer zal die dag de mijne zijn?
Vandaag is die herinnering aan U op een hele leuke manier naar mij gekomen. Omdat ik een groot verlangen heb, heb ik U geroepen. Ik ben Uw eeuwige dienaar en daarom wens ik Uw associatie zo graag. O Heer Krsna, behalve U is er geen ander middel van succes.

De waarde van het menselijk leven begrijpen

Door:
Chanchalapathi Dasa, Bangalore citerend uit Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Srila Prabhupada's Srimad Bhagavatam Canto 1 - Hoofdstuk 18
VERS 47
apāpeṣu sva-bhṛtyeṣu
bālenāpakva-buddhinā
pāpaṁ kṛtaṁ tad bhagavān
sarvātmā kṣantum arhati
VERTALING
Toen bad de rishi tot de alles doordringende Persoonlijkheid van God om gratie te verlenen aan zijn onvolwassen jongen, die geen intelligentie had en die de grote zonde beging van het vervloeken van een persoon die volledig vrij was van alle zonden, die ondergeschikt was en die het verdiende beschermd te worden.

COMMENTAAR
Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen actie, zowel vroom als zondig. Rishi Samika kon voorzien dat zijn zoon een grote zonde had begaan door Maharaja Parikshit te vervloeken, die het verdiende beschermd te worden door de brahmana's, want hij was een vrome heerser en volledig vrij van alle zonden omdat hij een eersteklas toegewijde van de Heer was. Wanneer een toegewijde van de Heer wordt beledigd, is het erg moeilijk om de reactie te overwinnen. De brahmana's, die aan het hoofd staan ​​van de sociale ordes, zijn bedoeld om hun ondergeschikten te beschermen en niet om ze te vervloeken. Er zijn gelegenheden dat een brahmana verwoed een ondergeschikte kshatriya of vaishya, enz., kan vervloeken, maar in het geval van Maharaja Parikshit waren er geen redenen, zoals al is uitgelegd. De dwaze jongen had het uit pure ijdelheid gedaan om een ​​brahmana's zoon te zijn, en daardoor raakte hij gestraft door de wet van God. De Heer vergeeft een persoon nooit die zijn zuivere toegewijde veroordeelt. Daarom had de dwaze Sringi, door een koning te vervloeken, niet alleen een zonde begaan, maar ook de grootste overtreding. Daarom kon de rishi voorzien dat alleen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn zoon kon redden van zijn zondige daad. Daarom bad hij rechtstreeks om vergeving van de Allerhoogste Heer, die als enige een ding ongedaan kan maken dat onmogelijk te veranderen is. De oproep was gedaan in de naam van een dwaze jongen die helemaal geen intelligentie had ontwikkeld.
In dit verband kan de vraag gesteld worden dat, aangezien het de wens van de Heer was dat Parikshit Maharaja in die ongemakkelijke positie gebracht zou worden zodat hij bevrijd zou worden van het materiële bestaan, waarom werd dan een zoon van een brahmana verantwoordelijk gesteld voor deze offensieve handeling? Het antwoord is dat de aanstootgevende daad alleen door een kind werd uitgevoerd, zodat hij gemakkelijk kon worden verontschuldigd, en dus werd het gebed van de vader aanvaard. Maar als de vraag gesteld wordt waarom de brahmana gemeenschap als geheel verantwoordelijk werd gehouden voor het toelaten van Kali in de wereldzaken, wordt het antwoord gegeven in de Varaha Purana dat de demonen die vijandig handelden ten opzichte van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods maar niet door de Heer werden gedood, in de families van brahmana's geboren mochten worden om te profiteren van de tijdperk van Kali. De barmhartige Heer gaf hun een kans om hun geboorten te laten plaatsvinden in de families van vrome brahmana's zodat ze konden evolueren naar de zaligheid. Maar in plaats van de goede gelegenheid gebruiken te maken, misbruikten de demonen, de brahmaanse cultuur omdat ze opgeblazen waren door ijdelheid om brahmana's te worden. Het typische voorbeeld is de zoon van Samika Rishi, en alle dwaze zonen van brahmana's worden hierbij gewaarschuwd niet zo dwaas te worden als Sringi en altijd op hun hoede te zijn voor de demonische eigenschappen die zij in hun vorige geboorten hadden. De dwaze jongen was natuurlijk verontschuldigd door de Heer, maar anderen, die misschien geen vader als Samika Rishi hebben, zullen in grote moeilijkheden komen als ze de voordelen van de geboorte in een brahmana-familie misbruiken.
*******

Hier zien we de reactie van Samika Rishi op de schaamteloze daad van zijn zoon in het vervloeken van Maharaj Parikshit. In deze verzen is een van de dingen die naar voren komen het gevoel van plicht dat Samika Rishi voelt. Hij analyseert wat zijn zoon heeft gedaan en zegt vervolgens, door de beëindiging van de monarchale regimes en het plunderen van de rijkdom van mensen door boeven en dieven, worden mensen gedood en gewond en dieren en vrouwen zullen worden ontvoerd en voor al deze zonden, zullen wij verantwoordelijk zijn.
Dus we zien deze brahmana's, het is niet dat ze altijd werden gerespecteerd, maar ze waren ook erg verantwoordelijk. In feite, zoals we het hebben over de verschillen tussen de mens en de dieren, hebben de mensen een ontwikkeld geweten en daarmee het verantwoordelijkheidsgevoel. Maar dat gevoel van verantwoordelijkheid hangt ook af van de spirituele verlichting van de ziel. De ziel is zijn ware aard vergeten en is in een diepe slaap gegaan en Krishna-bewustzijn is een proces dat de ziel wakker maakt. Hoe meer we ontwaakt zijn, hoe meer we het gevoel van spirituele verantwoordelijkheid zullen hebben.

Soms blijven toegewijden een tijdje in de tempel en dan gebeurt er iets verbijsterends en dan gaan ze weg. Er zijn andere toegewijden die moeilijkheden doormaken in het leven, maar nooit hun gevoel van spirituele verantwoordelijkheid opgeven. Er zijn gevallen waarin toegewijden lid worden van de tempel, de ouders erg overstuur raken en hun zoon met geweld wegnemen en drugs toedienen, om ze te laten veranderen en sommige van deze medicijnen zijn erg krachtig, ze slapen een paar dagen en dan worden ze langzaam wakker en waarbij ze hem verschillende soorten behandelingen geven, denkend dat hun zoon gek geworden is. Maar dan zijn we een paar gevallen tegengekomen wanneer het effect van het medicijn verslijt en ze opnieuw opstaan en zeggen: ik wil een toegewijde zijn. Dat is omdat als de ziel eenmaal gewekt is, hij zich bewust zal worden van zijn spirituele verantwoordelijkheid. Terwijl toegewijden soms, wanneer er problemen in hun spirituele leven komen, hun spirituele verantwoordelijkheden heel gemakkelijk opgeven. Dit komt door de mate van gradatie van ontwaking van de ziel.

Concentreer je op zelfonderzoek

"De transcendentale betekenis van de woorden kan niet overgebracht worden naar de zintuigen van de geconditioneerde ziel zolang hij er niet mee instemt om de methode van onderdanig luisteren te volgen en naar het transcendentale geluid te luisteren dat verschijnt op de lippen van de zuivere toegewijde. Er is een duidelijke lijn van opeenvolging van de bonafide leraren van de waarheid. De bonafide leraar moet vroeg of laat beschikbaar zijn voor de echte zoeker van de waarheid. De bonafide leraar is niet herkenbaar voor de hypocrieten en atheïsten die de Godheid niet echt willen dienen. Zolang de bonafide leraar zijn verschijning niet manifesteert in de zuivere cognitieve essentie van de zoeker naar de Absolute Waarheid, is het daarom noodzakelijk dat de kandidaat voor spirituele verlichting zich concentreert op zelfonderzoek om te kunnen voorkomen dat zich enige sporen van onoprechtheid in zich ophoud. De woorden van de sadhu zijn ook beschikbaar, door zijn grondeloze genade, voor het dragen van de inspanningen van dergelijke kandidaten, voor het vinden van hun eigen onoprechtheid. ”
door Srila Bhaktisiddhanta Sarawati Thakura Prabhupada - Gepubliceerd in een mei 1932 editie van The Harmonist

"Aan het begin van ons geestelijk leven bidden we oprecht en met volledige onderwerping en zelfovergave tot God voor het ontvangen van de bescherming van Sri Guru. De Allerhoogste Heer, die onze ernst en toewijding waarneemt om ons op het ware pad te begeleiden, zal een echte goeroe naar ons sturen. Anders is het voor ons onmogelijk om Sri Guru te vinden door onze eigen feilbare energie. Als we onszelf leiden door onze eigen energie zullen we de pseudo-goeroes tegenkomen en door hen worden vastgehouden door hun tijdelijke aangename manieren, en naar de hel rennen. "
door Srila Bhaktisiddhanta Sarawati Thakura Prabhupada - Gepubliceerd in The Harmonist, Vol XXVII, No.5, Oct 1929, p.139

Negen punten naar een spirituele wereldbeschaving

Negen punten naar een spirituele wereldbeschaving

Door Rayarama