woensdag 26 juni 2019

Wat zijn de zes soorten transformaties waaraan het lichaam onderworpen is?


Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, TEXT 20:
na jāyate mriyate vā kadācin
nāyaṁ bhūtvā bhavitā vā na bhūyaḥ
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo
na hanyate hanyamāne śarīre

Woord-voor-woord-vertalingen:
na — nooit; jāyate — wordt geboren; mriyate — sterft; vā — evenmin; kadācit — wanneer dan ook (verleden, heden of toekomst); na — nooit; ayam — deze; bhūtvā — na ontstaan te zijn; bhavitā — zal onstaan; vā — of; na — niet; bhūyaḥ — of ontstaat opnieuw; ajaḥ — ongeboren; nityaḥ — eeuwig; śāśvataḥ — permanent; ayam — deze; purāṇaḥ — de oudste; na — nooit; hanyate — wordt gedood; hanyamāne — is gedood; śarīre — het lichaam.

Vertaling:
Voor de ziel bestaat er op geen enkel tijdstip geboorte of dood. Ze is niet ontstaan, ze ontstaat niet en ze zal niet ontstaan. Ze is ongeboren, eeuwig, oorspronkelijk en permanent. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood.

Uitleg:
Kwalitatief gezien is het afzonderlijke en atomisch kleine deeltje van de Allerhoogste Ziel īīn met de Allerhoogste. Het ondergaat geen veranderingen zoals het lichaam. De ziel wordt soms de bestendige of kūṭa-stha genoemd. Het lichaam is onderhevig aan zes verschillende transformaties: het wordt geboren uit de baarmoeder van het moederlichaam, groeit, blijft enige tijd, produceert enkele bijverschijnselen, verzwakt geleidelijk aan en verdwijnt uiteindelijk in de vergetelheid. De ziel daarentegen is niet onderhevig aan zulke veranderingen. De ziel wordt niet geboren, maar omdat ze een materieel lichaam aanneemt, wordt het lichaam geboren. De ziel wordt niet in een lichaam geboren en sterft ook niet. Alles wat geboren wordt, sterft ook. Maar omdat de ziel niet geboren wordt, heeft ze geen verleden, heden of toekomst. Ze is eeuwig, oorspronkelijk en bestaat altijd; met andere woorden, er is in de geschiedenis geen spoor van haar ontstaan te bekennen. Alleen omdat we zien dat het lichaam geboren wordt, zoeken we naar het tijdstip van de geboorte enz. van de ziel.
In tegenstelling tot het lichaam, wordt de ziel op geen enkel moment oud. Een man die zogenaamd oud is, voelt zich van binnen dezelfde als in zijn kinderjaren of toen hij een jongeman was. De veranderingen van het lichaam hebben geen invloed op de ziel. De ziel vergaat niet als een boom of iets anders materieels. De ziel heeft ook geen bijproducten. De bijproducten van het lichaam, namelijk kinderen, zijn ook verschillende individuele zielen en vanwege het lichaam verschijnen ze als de kinderen van een bepaald persoon. Het lichaam ontwikkelt zich omdat de ziel erin aanwezig is, maar de ziel heeft geen nakomelingen en ondergaat geen verandering; de ziel is daarom vrij van de zes veranderingen van het lichaam.
In de Kaṭha Upaniṣad (1.2.18) vinden we een soortgelijke passage:
na jāyate mriyate vā vipaścin, nāyaṁ kutaścin na babhūva kaścit
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo, na hanyate hanyamāne śarīre
De betekenis en uitleg van dit vers is dezelfde als die in de Bhagavad-gītā, maar in dit vers wordt een specifiek woord gebruikt, namelijk ‘vipaścit’, dat ‘geleerd’ of ‘met kennis’ betekent. De ziel is vol kennis of altijd vol bewustzijn. Het bewustzijn is dan ook hīt kenmerk van de ziel. Zelfs al is men niet in staat om de ziel in het hart te vinden — waar ze zich bevindt — dan nog kan men de aanwezigheid van de ziel eenvoudig begrijpen door de aanwezigheid van bewustzijn. Soms kunnen we de zon niet zien omdat het bewolkt is of om een andere reden, maar het zonlicht is altijd aanwezig en daarom zijn we ervan overtuigd dat het dag is. Zodra er in de vroege morgen een sprankje licht aan de horizon verschijnt, kunnen we begrijpen dat de zon er is. Op dezelfde manier kunnen we de aanwezigheid van de ziel begrijpen, doordat er in alle lichamen — zowel menselijke als dierlijke — een zekere mate van bewustzijn aanwezig is. Maar dit bewustzijn van de ziel is verschillend van dat van de Allerhoogste, omdat het allerhoogste bewustzijn alle kennis omvat — van verleden, heden en toekomst. Het is de individuele ziel die geneigd is tot vergeetachtigheid en wanneer ze haar werkelijke natuur vergeet, krijgt ze onderricht en verlichting door de verheven lessen van Kṛṣṇa. Maar Kṛṣṇa is niet zoals de vergeetachtige ziel; zou dat wel zo zijn, dan zou de filosofie van Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā nutteloos zijn.
Er bestaan twee soorten zielen, namelijk de minuscule ziel, die een deeltje is (aṇu-ātmā), en de Superziel (vibhu-ātmā). Dit wordt bevestigd in de Kaṭha Upaniṣad (1.2.20):
aṇor aṇīyān mahato mahīyān, ātmāsya jantor nihito guhāyām
tam akratuḥ paśyati vīta-śoko, dhātuḥ prasādān mahimānam ātmanaḥ
‘Zowel de Superziel [Paramātmā] als de atomische ziel [jīvātmā] bevindt zich in dezelfde boom van het lichaam, in hetzelfde hart van het levend wezen; alleen degene die vrij is geraakt van alle materiële verlangens en verdriet, kan door de genade van de Allerhoogste de glorie van de ziel begrijpen.’ Kṛṣṇa is ook de oorsprong van de Superziel (dit zal in de volgende hoofdstukken worden uitgelegd) en Arjuna is de atomische ziel die zijn werkelijke natuur vergeten is; daarom moet hij door Kṛṣṇa of door Zijn bonafide vertegenwoordiger (de spiritueel leraar) worden verlicht.

Hoe groot is de ziel en wat is het symptoom van zijn bestaan?


één tienduizendste deel van het bovenste gedeelte van het haarpunt. Het symptoom van de aanwezigheid van de ziel wordt waargenomen als individueel bewustzijn. Zonder ziel zijn de lichamen dood

SRIMAD BHAGAVAD GITA ZOALS ZE IS, HOOFDSTUK 2, TEXT 17:

avināśi tu tad viddhi, yena sarvam idaṁ tatam
vināśam avyayasyāsya, na kaścit kartum arhati

Woord-voor-woord-vertalingen:
avināśi — onvergankelijk; tu — maar; tat — dat; viddhi — weet dat; yena — door wie; sarvam — het hele lichaam; idam — dit; tatam — doordrongen; vināśam — vernietiging; avyayasya — van de onvergankelijke; asya — ervan; na kaścit — niemand; kartum — doen; arhati — is in staat.

Vertaling:
Weet dat datgene waarvan het hele lichaam doordrongen is, onvernietigbaar is. Niemand kan die onvergankelijke ziel vernietigen.

Uitleg:
Dit vers geeft verder inzicht in de werkelijke aard van de ziel, die over het hele lichaam verspreid is. Iedereen kan begrijpen wat over het hele lichaam verspreid is: bewustzijn. Iedereen is zich bewust van de pijn en het plezier van bepaalde lichaamsdelen of van het hele lichaam. Deze verspreiding van het bewustzijn is beperkt tot het eigen lichaam; de pijn en het plezier van een bepaald lichaam zijn iemand anders onbekend. Ieder afzonderlijk lichaam is daarom het omhulsel van een individuele ziel en de aanwezigheid van de ziel wordt waargenomen als individueel bewustzijn.
De omvang van deze ziel wordt beschreven als het tienduizendste deel van het uiterste puntje van een haar. De Śvetāśvatara Upaniṣad (5.9) bevestigt dit:
bālāgra-śata-bhāgasya, śatadhā kalpitasya ca
bhāgo jīvaḥ sa vijñeyaḥ, sa cānantyāya kalpate
‘Wanneer het uiterste puntje van een haar in honderd deeltjes wordt gesplitst en elk van die deeltjes verder wordt gesplitst in weer honderd deeltjes, dan is elk van die deeltjes de omvang van de spirituele ziel.’ Hetzelfde wordt ook ergens anders gezegd:
keśāgra-śata-bhāgasya, śatāṁśaḥ sādṛśātmakaḥ
jīvaḥ sūkṣma-svarūpo ’yaṁ, saṅkhyātīto hi cit-kaṇaḥ
‘Er bestaan ontelbare spirituele atoomdeeltjes die een omvang hebben van een tienduizendste deel van het uiterste puntje van een haar.’
Het individuele deeltje, de spirituele ziel, is dus een spiritueel atoom dat kleiner is dan materiële atomen, en er zijn ontelbaar veel van zulke atomen. Deze uiterst kleine spirituele vonk is het basisprincipe van het materiële lichaam, en de invloed van zo’n spirituele vonk wordt over het hele lichaam verspreid zoals de invloed van het actieve bestanddeel van een medicijn ook over het hele lichaam wordt verspreid. De uitstraling van de ziel wordt over het hele lichaam gevoeld als bewustzijn en dat is het bewijs van de aanwezigheid van de ziel. Iedere leek begrijpt dat het materiële lichaam minus bewustzijn een lijk is en dit bewustzijn kan niet door enige materiële ingreep in het lichaam worden opgewekt. Het bewustzijn ontstaat daarom niet uit welke hoeveelheid verbindingen tussen materiële elementen dan ook, maar komt voort uit de ziel.
In de Muṇḍaka Upaniṣad (3.1.9) wordt de omvang van de atomisch kleine ziel verder uitgelegd:
eṣo ’ṇur ātmā cetasā veditavyo
yasmin prāṇaḥ pañcadhā saṁviveśa
prāṇaiś cittaṁ sarvam otaṁ prajānāṁ
yasmin viśuddhe vibhavaty eṣa ātmā
‘De ziel heeft atomische afmetingen en kan door volmaakte intelligentie worden waargenomen. Deze atomische ziel zweeft in de vijf verschillende soorten lucht (prāṇa, apāna, vyāna, samāna en udāna), ze bevindt zich in het hart en verspreidt haar invloed over het materiële lichaam van de belichaamde levende wezens. Wanneer de ziel gezuiverd is van de onzuiverheid van de vijf soorten materiële lucht, wordt haar spirituele invloed zichtbaar.’ Het haṭha-yoga-systeem is ervoor bedoeld om door verschillende zithoudingen de vijf soorten lucht te beheersen die de zuivere ziel omringen — niet met het oog op materieel gewin, maar om de minuscule ziel uit de verstrikking in de materiële sfeer te bevrijden.
De gesteldheid van de atomische ziel wordt dus in de hele Vedische literatuur erkend en wordt in de praktijk ook direct ervaren door ieder normaal mens. Alleen een krankzinnig persoon denkt dat deze atomische ziel de alomtegenwoordige viṣṇu-tattva is.
De invloed van de atomische ziel kan over een heel lichaam verspreid zijn. Volgens de Muṇḍaka Upaniṣad bevindt deze atomische ziel zich in het hart van ieder levend wezen en omdat de omvang van de atomische ziel het voorstellingsvermogen van de materialistische wetenschap te boven gaat, beweren sommige wetenschappers dwaas genoeg dat de ziel niet bestaat. De individuele atomische ziel bevindt zich beslist samen met de Superziel in het hart, en alle energieën voor de lichaamsbewegingen komen daarom voort uit dit gedeelte van het lichaam. De bloedlichaampjes, die zuurstof bij de longen halen, krijgen hun energie van de ziel. Wanneer de ziel haar positie verlaat, stopt de activiteit van het bloed, namelijk het opwekken van fusie. De medische wetenschap aanvaardt het belang van de rode bloedlichaampjes, maar is niet in staat om vast te stellen dat de ziel de bron van energie is. Maar de medische wetenschap onderkent wel dat het hart de zetel is van alle energieën van het lichaam.
Zulke atomische deeltjes van het spirituele geheel worden vergeleken met moleculen zonlicht. In het zonlicht zijn ontelbare lichtgevende moleculen aanwezig. Op dezelfde manier zijn de afzonderlijke deeltjes van de Allerhoogste atomische vonken van de lichtstralen van de Allerhoogste Heer. Die lichtstralen worden prabhā of hogere energie genoemd. Met andere woorden, of men nu de Vedische kennis aanvaardt of de moderne wetenschap, men kan het bestaan van de ziel in het lichaam niet ontkennen en de wetenschap van de ziel wordt in de Bhagavad-gītā uitvoerig beschreven door de Persoonlijkheid Gods Zelf.

Wat is de betekenis van de uitdrukking dharma-sammudha-cetah in vers 7 in hoofdstuk 2 van de Bhagavad Gita Zoals Ze Is?


verbijsterd in het hart van wat je plicht zou moeten zijn

Srimad Bhagavad Gita Zoals Ze Is, Hoofdstuk 2, TEXT 7:
kārpaṇya-doṣopahata-svabhāvaḥ
pṛcchāmi tvāṁ dharma-sammūḍha-cetāḥ
yac chreyaḥ syān niścitaṁ brūhi tan me
śiṣyas te ’haṁ śādhi māṁ tvāṁ prapannam

Woord-voor-woord-vertalingen:
kārpaṇya — van vrekkigheid; doṣa — door de zwakheid; upahata — gekweld worden; sva-bhāvaḥ — kenmerken; pṛcchāmi — ik vraag; tvām — aan Jou; dharma — religie; sammūḍha — verward; cetāḥ — in het hart; yat — wat; śreyaḥ — het beste; syāt — kan zijn; niścitam — vertrouwelijk; brūhi — vertel; tat — dat; me — aan mij; śiṣyaḥ — discipel; te — Jouw; aham — ik ben; śādhi — onderricht; mām — mij; tvām — aan Jou; prapannam — overgegeven.

Vertaling:
Ik weet niet meer wat mijn plicht is en ben door een vrekkige zwakheid mijn evenwicht kwijt. In deze toestand vraag ik Je me met zekerheid te vertellen wat het beste voor me is. Ik ben nu Je leerling en geef me volkomen aan Je over. Alsjeblieft, onderricht me.

Uitleg:
Het hele systeem van materiële activiteiten is voor iedereen een bron van verwarring; zo werkt de natuur. Bij elke stap raken we verward en daarom moeten we een bonafide spiritueel leraar benaderen die de juiste begeleiding kan geven om het doel van het leven te volbrengen. De hele Vedische literatuur raadt ons aan een bonafide spiritueel leraar te benaderen om vrij te raken van de complicaties van het leven, die ons overkomen zonder dat we dat willen. Het is als een bosbrand die om de een of andere reden woedt zonder door iemand aangestoken te zijn. Op dezelfde manier bevindt de wereld zich in een situatie waarin de problemen van het leven vanzelf verschijnen zonder dat we deze verwarring willen. Niemand wil brand, maar toch is het er en we staan perplex. De Vedische wijsheid raadt ons daarom aan dat, als we een oplossing willen voor de moeilijkheden van het leven en we de wetenschap van de oplossing willen begrijpen, we een bonafide spiritueel leraar moeten benaderen, die verbonden is met de opeenvolging van discipelen. Wie een spiritueel leraar heeft, wordt verondersteld alles te weten. Men moet daarom niet in deze materiële verbijstering blijven, maar men moet een spiritueel leraar benaderen. Dat is de betekenis van dit vers.
Wie is degene die omgeven wordt door materiële verwikkelingen? Het is degene die de problemen van het leven niet begrijpt. In de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (3.8.10) wordt een verward persoon als volgt beschreven: yo vā etad akṣaraṁ gārgy aviditvāsmāl̐ lokāt praiti sa kṛpaṇaḥ. ‘Degene die niet als een mens een oplossing zoekt voor de problemen van het leven en die zo net als katten en honden de wereld verlaat, zonder dat hij de wetenschap van zelfrealisatie begrepen heeft, is een vrekkig persoon.’ Deze menselijke levensvorm is een zeer waardevol bezit voor het levend wezen, dat hem kan gebruiken om de problemen van het leven mee op te lossen; wie deze mogelijkheid niet aangrijpt, is daarom een vrek. In tegenstelling tot de vrek is er ook de brāhmaṇa of degene die intelligent genoeg is dit lichaam te gebruiken om alle problemen op te lossen. Ya etad akṣaraṁ gārgi viditvāsmāl̐ lokāt praiti sa brāhmaṇaḥ.
De kṛpaṇa’s, de vrekkige personen, verspillen hun tijd in de lichamelijke levensopvatting door hun sterke vereenzelviging met familie, samenleving, land enz. Op basis van externe, lichamelijke aantrekking is men vaak gehecht aan het familieleven, dat wil zeggen: vrouw, kinderen en andere familieleden. De kṛpaṇa denkt dat hij in staat is om zijn familieleden tegen de dood te beschermen of hij denkt dat zijn familie of samenleving hem van de afgrond van de dood kan redden. Zulke gehechtheid aan familie is ook aanwezig in de lagere diersoorten, die ook voor hun kinderen zorgen. Intelligent als hij was, begreep Arjuna dat zijn genegenheid voor zijn familieleden en zijn verlangen om hen tegen de dood te beschermen de oorzaken waren van zijn verwarring. Hoewel hij begreep dat zijn plicht om te vechten op hem wachtte, kon hij, door zijn vrekkige zwakheid, toch zijn plichten niet vervullen. Daarom vraagt hij Heer Kṛṣṇa, de allerhoogste spiritueel leraar, om hem de uiteindelijke oplossing te geven. Hij geeft zich over aan Kṛṣṇa als een discipel. Hij wil geen vriendelijke gesprekken meer. De gesprekken tussen meester en discipel zijn ernstig en Arjuna wil nu zeer ernstig spreken met de persoon die hij als zijn spiritueel leraar erkent. Kṛṣṇa is daarom de oorspronkelijke spiritueel leraar van de wetenschap van de Bhagavad-gītā en Arjuna is de eerste discipel die de Gītā leert begrijpen.
De manier waarop Arjuna de Bhagavad-gītā leert begrijpen, wordt in de Gītā zelf beschreven. Toch zeggen dwaze, wereldse geleerden dat men zich niet aan de persoon Kṛṣṇa hoeft over te geven, maar aan ‘het ongeborene in Kṛṣṇa’. Er bestaat geen verschil tussen het in- en uitwendige van Kṛṣṇa; wie dit niet begrijpt, maar toch de Bhagavad-gītā probeert te begrijpen, is een grote dwaas.

Wanneer is een leraar geschikt om te worden verlaten volgens de geschriften? (2.5)


Wanneer een leraar zich schuldig maakt aan afschuwelijke activiteiten en zijn gevoel van discriminatie heeft verloren (zij namen Duryodhanas kant in de oorlog vanwege zijn financiële hulp). Bhīṣma (bhisma -- Bhisma -- Sanskrit Dictionary) en Droṇa (drona -- the teacher Drona -- Sanskrit Dictionary) waren verplicht om de zijde van Duryodhana te kiezen vanwege zijn financiële hulp, hoewel ze zulke dingen niet hadden mogen accepteren. Een positie eenvoudigweg op financiële overwegingen. Onder deze omstandigheden hebben ze de fatsoensnormen van leraren verloren.

vrijdag 31 mei 2019

Gebed tot de lotusvoeten van Krishna

door Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Prabhupada
Stichter en Enige-Acarya van de Internationale Gemeenschap voor Krishna Bewustzijn

Op 13 september 1965 schreef Srila Prabhupada het volgende gebed aan boord van het stoomschip Jaladuta op weg naar Amerika.
___________________________________________________________

Ik zeg nadrukkelijk tegen je, O broeders, dat je je geluk alleen van de Allerhoogste Heer Krsna zult krijgen als Srimati Radharani tevreden met je wordt.
Sri Srimad Bhaktisiddhanta Sarasvati Thakur, die Lord Gauranga, de zoon van moeder Saci, zeer dierbaar is, is ongeëvenaard in zijn dienst aan de Allerhoogste Heer Sri Krsna. Hij is die grote heilige spirituele meester die op verschillende plaatsen in de wereld een intense toewijding aan Krsna schenkt.
Door zijn sterke verlangen zal de heilige naam van Heer Gauranga zich door alle landen van de Westerse wereld verspreiden. In alle steden, dorpen en voorsteden op aarde, uit alle oceanen, zeeën, rivieren en beken, zingt iedereen de heilige naam Krsna.
Zoals de enorme genade van Sri Caitanya Mahaprabhu alle richtingen overwint, zal een overstroming van transcendentale extase zeker het land bedekken. Wanneer alle zondige, miserabele levende wezens gelukkig worden, wordt het verlangen van de Vaisnava vervuld.
Hoewel mijn Guru Maharaja mij opdracht gaf om deze missie te volbrengen, ben ik het niet waard of geschikt om het te doen. Ik ben erg gevallen en onbeduidend. Daarom, O Heer, smeek ik nu om Uw genade zodat ik waardig kan worden, want U bent de wijste en meest ervaren van alles.
Als U Uw kracht schenkt, bereikt men door het dienen van de spiritueel leraar de Absolute Waarheid - wordt iemands leven succesvol. Als die dienst wordt verkregen, wordt men gelukkig en krijgt uw associatie ten gevolge van geluk.

evaṁ janaṁ nipatitaṁ prabhavāhi-kūpe
kāmābhikāmam anu yaḥ prapatan prasaṅgāt
kṛtvātmasāt surarṣiṇā bhagavan gṛhītaḥ
so ’haṁ kathaṁ nu visṛje tava bhṛtya-sevām
"Mijn lieve Heer, O Allerhoogste Persoonlijkheid van God, vanwege mijn omgang met materiële verlangens, de een na de ander, viel ik geleidelijk in een blinde put van slangen, de algemene bevolking volgend, maar Uw dienaar Narada Muni aanvaardde mij vriendelijk als zijn discipel en instrueerde me hoe deze transcendentale positie te bereiken is. Daarom is het mijn eerste plicht hem te dienen. Hoe kon ik zijn dienst verlaten?" (Prahlada Maharaja aan Lord Nrsimhadeva, Srimad-Bhagavatam, 7.9.28)

O Heer Krsna, U bent mijn eeuwige metgezel. Door U te vergeten, heb ik de schoppen van maya -geboorte na geboorte geleden. Als vandaag de kans om U te ontmoeten opnieuw optreedt, dan zal ik zeker in staat zijn om weer bij U te komen.
O beste vriend, in Uw gezelschap zal ik opnieuw grote vreugde ervaren. In de vroege ochtend dwaal ik af over de koeherdersweiden en velden. Rennen en stoeien in de vele wouden van Vraja, ik rol op de grond in spirituele extase. O, wanneer zal die dag de mijne zijn?
Vandaag is die herinnering aan U op een hele leuke manier naar mij gekomen. Omdat ik een groot verlangen heb, heb ik U geroepen. Ik ben Uw eeuwige dienaar en daarom wens ik Uw associatie zo graag. O Heer Krsna, behalve U is er geen ander middel van succes.

De waarde van het menselijk leven begrijpen

Door:
Chanchalapathi Dasa, Bangalore citerend uit Zijn Goddelijke Genade A.C. Bhaktivedanta Svami Srila Prabhupada's Srimad Bhagavatam Canto 1 - Hoofdstuk 18
VERS 47
apāpeṣu sva-bhṛtyeṣu
bālenāpakva-buddhinā
pāpaṁ kṛtaṁ tad bhagavān
sarvātmā kṣantum arhati
VERTALING
Toen bad de rishi tot de alles doordringende Persoonlijkheid van God om gratie te verlenen aan zijn onvolwassen jongen, die geen intelligentie had en die de grote zonde beging van het vervloeken van een persoon die volledig vrij was van alle zonden, die ondergeschikt was en die het verdiende beschermd te worden.

COMMENTAAR
Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen actie, zowel vroom als zondig. Rishi Samika kon voorzien dat zijn zoon een grote zonde had begaan door Maharaja Parikshit te vervloeken, die het verdiende beschermd te worden door de brahmana's, want hij was een vrome heerser en volledig vrij van alle zonden omdat hij een eersteklas toegewijde van de Heer was. Wanneer een toegewijde van de Heer wordt beledigd, is het erg moeilijk om de reactie te overwinnen. De brahmana's, die aan het hoofd staan ​​van de sociale ordes, zijn bedoeld om hun ondergeschikten te beschermen en niet om ze te vervloeken. Er zijn gelegenheden dat een brahmana verwoed een ondergeschikte kshatriya of vaishya, enz., kan vervloeken, maar in het geval van Maharaja Parikshit waren er geen redenen, zoals al is uitgelegd. De dwaze jongen had het uit pure ijdelheid gedaan om een ​​brahmana's zoon te zijn, en daardoor raakte hij gestraft door de wet van God. De Heer vergeeft een persoon nooit die zijn zuivere toegewijde veroordeelt. Daarom had de dwaze Sringi, door een koning te vervloeken, niet alleen een zonde begaan, maar ook de grootste overtreding. Daarom kon de rishi voorzien dat alleen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn zoon kon redden van zijn zondige daad. Daarom bad hij rechtstreeks om vergeving van de Allerhoogste Heer, die als enige een ding ongedaan kan maken dat onmogelijk te veranderen is. De oproep was gedaan in de naam van een dwaze jongen die helemaal geen intelligentie had ontwikkeld.
In dit verband kan de vraag gesteld worden dat, aangezien het de wens van de Heer was dat Parikshit Maharaja in die ongemakkelijke positie gebracht zou worden zodat hij bevrijd zou worden van het materiële bestaan, waarom werd dan een zoon van een brahmana verantwoordelijk gesteld voor deze offensieve handeling? Het antwoord is dat de aanstootgevende daad alleen door een kind werd uitgevoerd, zodat hij gemakkelijk kon worden verontschuldigd, en dus werd het gebed van de vader aanvaard. Maar als de vraag gesteld wordt waarom de brahmana gemeenschap als geheel verantwoordelijk werd gehouden voor het toelaten van Kali in de wereldzaken, wordt het antwoord gegeven in de Varaha Purana dat de demonen die vijandig handelden ten opzichte van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods maar niet door de Heer werden gedood, in de families van brahmana's geboren mochten worden om te profiteren van de tijdperk van Kali. De barmhartige Heer gaf hun een kans om hun geboorten te laten plaatsvinden in de families van vrome brahmana's zodat ze konden evolueren naar de zaligheid. Maar in plaats van de goede gelegenheid gebruiken te maken, misbruikten de demonen, de brahmaanse cultuur omdat ze opgeblazen waren door ijdelheid om brahmana's te worden. Het typische voorbeeld is de zoon van Samika Rishi, en alle dwaze zonen van brahmana's worden hierbij gewaarschuwd niet zo dwaas te worden als Sringi en altijd op hun hoede te zijn voor de demonische eigenschappen die zij in hun vorige geboorten hadden. De dwaze jongen was natuurlijk verontschuldigd door de Heer, maar anderen, die misschien geen vader als Samika Rishi hebben, zullen in grote moeilijkheden komen als ze de voordelen van de geboorte in een brahmana-familie misbruiken.
*******

Hier zien we de reactie van Samika Rishi op de schaamteloze daad van zijn zoon in het vervloeken van Maharaj Parikshit. In deze verzen is een van de dingen die naar voren komen het gevoel van plicht dat Samika Rishi voelt. Hij analyseert wat zijn zoon heeft gedaan en zegt vervolgens, door de beëindiging van de monarchale regimes en het plunderen van de rijkdom van mensen door boeven en dieven, worden mensen gedood en gewond en dieren en vrouwen zullen worden ontvoerd en voor al deze zonden, zullen wij verantwoordelijk zijn.
Dus we zien deze brahmana's, het is niet dat ze altijd werden gerespecteerd, maar ze waren ook erg verantwoordelijk. In feite, zoals we het hebben over de verschillen tussen de mens en de dieren, hebben de mensen een ontwikkeld geweten en daarmee het verantwoordelijkheidsgevoel. Maar dat gevoel van verantwoordelijkheid hangt ook af van de spirituele verlichting van de ziel. De ziel is zijn ware aard vergeten en is in een diepe slaap gegaan en Krishna-bewustzijn is een proces dat de ziel wakker maakt. Hoe meer we ontwaakt zijn, hoe meer we het gevoel van spirituele verantwoordelijkheid zullen hebben.

Soms blijven toegewijden een tijdje in de tempel en dan gebeurt er iets verbijsterends en dan gaan ze weg. Er zijn andere toegewijden die moeilijkheden doormaken in het leven, maar nooit hun gevoel van spirituele verantwoordelijkheid opgeven. Er zijn gevallen waarin toegewijden lid worden van de tempel, de ouders erg overstuur raken en hun zoon met geweld wegnemen en drugs toedienen, om ze te laten veranderen en sommige van deze medicijnen zijn erg krachtig, ze slapen een paar dagen en dan worden ze langzaam wakker en waarbij ze hem verschillende soorten behandelingen geven, denkend dat hun zoon gek geworden is. Maar dan zijn we een paar gevallen tegengekomen wanneer het effect van het medicijn verslijt en ze opnieuw opstaan en zeggen: ik wil een toegewijde zijn. Dat is omdat als de ziel eenmaal gewekt is, hij zich bewust zal worden van zijn spirituele verantwoordelijkheid. Terwijl toegewijden soms, wanneer er problemen in hun spirituele leven komen, hun spirituele verantwoordelijkheden heel gemakkelijk opgeven. Dit komt door de mate van gradatie van ontwaking van de ziel.

Concentreer je op zelfonderzoek

"De transcendentale betekenis van de woorden kan niet overgebracht worden naar de zintuigen van de geconditioneerde ziel zolang hij er niet mee instemt om de methode van onderdanig luisteren te volgen en naar het transcendentale geluid te luisteren dat verschijnt op de lippen van de zuivere toegewijde. Er is een duidelijke lijn van opeenvolging van de bonafide leraren van de waarheid. De bonafide leraar moet vroeg of laat beschikbaar zijn voor de echte zoeker van de waarheid. De bonafide leraar is niet herkenbaar voor de hypocrieten en atheïsten die de Godheid niet echt willen dienen. Zolang de bonafide leraar zijn verschijning niet manifesteert in de zuivere cognitieve essentie van de zoeker naar de Absolute Waarheid, is het daarom noodzakelijk dat de kandidaat voor spirituele verlichting zich concentreert op zelfonderzoek om te kunnen voorkomen dat zich enige sporen van onoprechtheid in zich ophoud. De woorden van de sadhu zijn ook beschikbaar, door zijn grondeloze genade, voor het dragen van de inspanningen van dergelijke kandidaten, voor het vinden van hun eigen onoprechtheid. ”
door Srila Bhaktisiddhanta Sarawati Thakura Prabhupada - Gepubliceerd in een mei 1932 editie van The Harmonist

"Aan het begin van ons geestelijk leven bidden we oprecht en met volledige onderwerping en zelfovergave tot God voor het ontvangen van de bescherming van Sri Guru. De Allerhoogste Heer, die onze ernst en toewijding waarneemt om ons op het ware pad te begeleiden, zal een echte goeroe naar ons sturen. Anders is het voor ons onmogelijk om Sri Guru te vinden door onze eigen feilbare energie. Als we onszelf leiden door onze eigen energie zullen we de pseudo-goeroes tegenkomen en door hen worden vastgehouden door hun tijdelijke aangename manieren, en naar de hel rennen. "
door Srila Bhaktisiddhanta Sarawati Thakura Prabhupada - Gepubliceerd in The Harmonist, Vol XXVII, No.5, Oct 1929, p.139